ECLI:NL:CRVB:2012:BY0186

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 oktober 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-6860 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herziening
Rechters
  • T. Hoogenboom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:88 AwbArt. 21 Beroepswet
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek herziening WAO-uitspraak wegens ontbreken nieuwe feiten

Verzoeker heeft bij de Centrale Raad van Beroep verzocht om herziening van een uitspraak van 11 november 2010, waarin het beroep tegen de weigering van het UWV om een WAO-uitkering toe te kennen ongegrond werd verklaard. Het verzoek tot herziening is gebaseerd op de stelling dat de eerdere uitspraak onjuist is en dat het UWV fouten heeft gemaakt.

De Raad heeft onderzocht of er feiten of omstandigheden zijn die aan de voorwaarden van artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht voldoen, namelijk dat deze feiten vóór de uitspraak hebben plaatsgevonden, bij verzoeker niet bekend waren en bij de Raad wel bekend geweest zouden moeten zijn om tot een andere uitspraak te komen. Verzoeker heeft echter niet kunnen aantonen dat dergelijke feiten of omstandigheden bestaan.

De Raad benadrukt dat het rechtsmiddel van herziening niet bedoeld is om een hernieuwde discussie over de zaak of het toegepaste recht te voeren. Omdat niet is voldaan aan de voorwaarden voor herziening, wijst de Raad het verzoek af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om herziening van de WAO-uitspraak wordt afgewezen wegens ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

10/6860 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van
11 november 2010, 09/4926 WAO
Partijen:
[A. te B. ] (verzoeker)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft verzocht om herziening van de hiervoor genoemde uitspraak van de Raad.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2012. Verzoeker is verschenen. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
OVERWEGINGEN
1. Ingevolge artikel 21, eerste lid, van de Beroepswet en artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak van de Raad herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
2. Bij de uitspraak van 11 november 2010, waarvan thans herziening wordt verzocht, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 augustus 2009 met nummer 08/802 in hoger beroep bevestigd. De rechtbank heeft hierbij het beroep van verzoeker ongegrond verklaard. Het beroep betrof de weigering van het Uwv om aan verzoeker een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen.
3. Verzoeker heeft thans aangevoerd dat de desbetreffende uitspraak van de Raad in strijd is met het recht en dat de Raad verzuimd heeft fouten te herstellen die het Uwv heeft gemaakt.
4. De Raad komt tot het volgende oordeel.
4.1. Verzoeker heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb. De Raad merkt op dat verzoeker hierbij had moeten aantonen dat het gaat om feiten of omstandigheden die hebben plaatsgevonden vóór 11 november 2010 en die bij verzoeker pas daarna bekend zijn geworden. Dat door het Uwv bij de weigering een WAO-uitkering toe te kennen fouten zijn gemaakt die niet eerder dan die datum naar voren zijn gekomen is door verzoeker niet aangetoond.
4.2. Verzoeker heeft uitvoerig betoogd dat de uitspraak van de rechtbank en die van de Raad niet juist kunnen zijn. De Raad merkt op dat het rechtsmiddel van herziening niet is gegeven om een hernieuwde discussie te voeren over de betrokken zaak of over het daarbij toegepaste recht.
4.3. Dit betekent dat niet is voldaan aan de hierboven onder b. genoemde voorwaarde en dat het verzoek moet worden afgewezen.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2012.
(getekend) T. Hoogenboom
(getekend) J.R. Baas
TM