ECLI:NL:CRVB:2012:BY0277

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 oktober 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-3220 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N.J. van Vulpen-Grootjans
  • J.G. Treffers
  • G.F. Walgemoed
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van strafontslag van een groepsleerkracht wegens plichtsverzuim en arbeidsongeschiktheid

In deze zaak gaat het om het hoger beroep van appellante, een groepsleerkracht, tegen het besluit van de Stichting Openbaar Primair Onderwijs Furore, waarbij haar met ingang van 10 december 2008 strafontslag is verleend. Appellante had zich op 18 april 2005 ziek gemeld wegens oogklachten en was sindsdien niet in staat geacht haar werkzaamheden te hervatten. De stichting had haar meerdere keren opgeroepen om haar werk te hervatten, maar appellante volhardde in haar standpunt dat zij niet in staat was om te werken. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de opvatting van appellante dat zij niet tot het verrichten van haar werk in staat is, geen steun vindt in de beschikbare objectieve medische gegevens. De Raad concludeert dat het niet hervatten van haar werkzaamheden als ernstig plichtsverzuim moet worden aangemerkt. De Raad bevestigt de eerdere uitspraak van de rechtbank Leeuwarden, die het beroep van appellante ongegrond had verklaard. De Raad oordeelt dat de stichting bevoegd was om disciplinaire maatregelen te nemen, en dat het ontslag niet onevenredig is aan de aard en ernst van het plichtsverzuim. De uitspraak van de Centrale Raad van Beroep is gedaan op 11 oktober 2012.

Uitspraak

11/3220 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 26 april 2011, 09/2956 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.]
de Stichting Openbaar Primair Onderwijs Furore (stichting)
Datum uitspraak 11 oktober 2012.
PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
De stichting heeft een verweerschrift ingediend.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.
OVERWEGINGEN
1.1. Appellante was werkzaam als groepsleerkracht in dienst van de stichting. Met ingang van 1 augustus 2003 is haar op eigen verzoek langdurig onbetaald verlof verleend. Later is dat verlof verlengd tot 15 oktober 2005. Op 18 april 2005 heeft appellante zich wegens oogklachten ziek gemeld. Een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wia) is haar geweigerd, omdat zij op het moment van de ziekmelding niet ingevolge de Wia was verzekerd. Deze weigering is in rechte onaantastbaar geworden.
1.2. In maart 2008 heeft de stichting appellante tweemaal opgedragen het werk te hervatten. Aan deze opdrachten lag een advies van de bedrijfsarts ten grondslag, inhoudende dat appellante geschikt was te werken. Appellante heeft aan deze opdrachten geen gehoor gegeven. Het deskundigenoordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) van 18 april 2008, dat op verzoek van appellante is opgemaakt, hield in dat zij op 17 maart 2008 niet arbeidsongeschikt was. Op 21 april 2008 heeft de stichting appellante gelast om haar werk op 13 mei 2008 te hervatten. Zij heeft hierop geantwoord dat zij het niet eens is met het zojuist genoemde deskundigenoordeel, dat zij haar werk niet zal hervatten en niet naar het spreekuur van de bedrijfsarts zal gaan. Op 16 mei 2008 heeft de stichting appellante opgedragen om op 19 mei 2008 haar werk te hervatten, waaraan werd toegevoegd dat, zou appellante haar werk niet hervatten, stopzetting van haar salaris zal worden overwogen. Zij heeft aan deze opdracht niet voldaan.
1.3. Bij besluit van 4 juni 2008 heeft de stichting de aanspraak op bezoldiging van appellante met toepassing van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder h, van Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid voor onderwijspersoneel primair onderwijs (Bza) met ingang van 5 juni 2008 vervallen verklaard. Appellante is daarbij tevens opgeroepen voor een gesprek op 11 juni 2008 om de ontstane situatie en haar re-integratie te bespreken. Daaraan heeft de stichting toegevoegd dat, indien appellante niet verschijnt bij dit gesprek, zal worden overgegaan tot het nemen van disciplinaire maatregelen en dat haar plichtsverzuim kan leiden tot disciplinair ontslag. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd. De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard. Bij zijn uitspraak van 3 maart 2011, LJN BP7589, heeft de Raad die uitspraak bevestigd.
1.4. Op 1 oktober 2008 heeft de stichting appellante nogmaals opgeroepen om haar werkzaamheden te hervatten op 14 oktober 2008 en om daaraan voorafgaand een gesprek met de directeur van de school en een personeelsfunctionaris te voeren. Daarbij is meegedeeld dat, indien zij niet verschijnt, zal worden overgegaan tot het nemen van disciplinaire maatregelen, waarbij disciplinair ontslag tot de mogelijkheden behoort. Appellante is op 14 oktober 2008 wel op het gesprek verschenen, maar heeft in dat gesprek te kennen gegeven dat zij haar werkzaamheden op donderdag 16 oktober 2008 wel wil, maar niet kan hervatten en dus op die dag niet zal verschijnen.
1.5. Na een voornemen daartoe heeft de stichting bij besluit van 5 december 2008 appellante met toepassing van artikel 4.7 onder j, in verbinding met artikel 4.15, derde lid, aanhef en onder e, van de CAO Primair Onderwijs met ingang van 10 december 2008 strafontslag verleend. Het bezwaar van appellante tegen dat besluit heeft de stichting bij besluit van
4 november 2009 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante die uitspraak op de hierna te bespreken gronden bestreden. De stichting heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Vooropgesteld wordt dat er geen aanleiding is om het verzoek van appellante in te willigen om de rapportages van de verzekeringsarts V van het Uwv van 16 april 2008 en van de arts S van 15 juli 2009 in dit geding buiten beschouwing te laten. Dat deze rapportages, zoals appellante heeft betoogd, in dit geding onrechtmatig zijn ingebracht, valt niet in te zien. De rapportage van V is een bijlage van het deskundigenoordeel van het Uwv van 19 april 2008 die wel naar appellante maar niet aan de stichting is gestuurd, zodat moet worden aangenomen dat appellante deze rapportage indertijd zelf aan de stichting heeft overgelegd waardoor deze tot de op dit geding betrekking hebbende stukken is gaan behoren. De rapportage van S is een reactie op het rapport van de deskundige H en behoort tot de gedingstukken betreffende de vervallenverklaring van de bezoldiging van appellante. Door het opnemen van deze rapportage in de op dit geding betrekking hebbende stukken is appellante niet in haar belangen geschaad.
4.2. Op grond van artikel 4.15, eerste lid, van de CAO PO kan de werknemer die zich aan plichtsverzuim schuldig maakt, om die reden worden gestraft. Op grond van het tweede lid omvat het plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets wat de werknemer bij een goede uitoefening van zijn functie in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen. Op grond van het derde lid, onder e, is ontslag een disciplinaire maatregel die kan worden opgelegd.
4.3. In zijn uitspraak van 3 maart 2011 heeft de Raad onder meer overwogen dat appellante op grond van het deskundigenoordeel van 18 april 2008 en het advies van de bedrijfsarts gehouden was op 17 maart 2008 haar werk te hervatten en dat er in de gedingstukken geen objectieve medische gegevens te vinden zijn die haar opvatting steunen dat zij een aanvaardbare en geldige reden had om haar werk op 19 mei 2008 niet te hervatten. Overwogen is dat noch in het rapport van 5 februari 2008 van de oogarts De F noch in dat van de oogarts H als conclusie is vermeld dat appellante ten gevolge van haar oogklachten ongeschikt is voor haar werk als groepsleerkracht. Daarnaast is overwogen dat het rapport van 3 december 2010 van de arbeidsdeskundige B, die in zijn rapport tot de slotsom komt dat appellante ten gevolge van haar oogklachten niet in staat mag worden geacht als groepsleerkracht te werken, geen ander licht werpt op de eerder vermelde objectieve medische gegevens die immers een zo verregaande uitkomst niet hebben. Bovendien is dit rapport niet gebaseerd op een onderzoek naar het werken van appellante als groepsleerkracht in de praktijk, dat in het hiervoor genoemde rapport van de verzekeringsarts van het Uwv van 16 april 2008 van essentiële betekenis is genoemd om de beperkingen die appellante in de praktijk van haar oogklachten ondervindt te kunnen beoordelen, nu zij niet wegens haar oogklachten haar werk heeft moeten staken. De bedrijfsarts heeft zich achter die opvatting geschaard. Geoordeeld is dat, gezien naar de datum 19 mei 2008, niet is gebleken van omstandigheden die appellante in de weg stonden om althans te proberen aan het werk te gaan, zodat de bedrijfsarts in staat gesteld zou worden de invloed van de beperkingen die bij haar wegens haar oogklachten zonder twijfel bestaan, op het kunnen verrichten van de werkzaamheden te beoordelen.
4.4. Appellante heeft ook na het besluit van 4 juni 2008 volhard in haar standpunt dat zij niet tot werkhervatting in staat is en daarom haar werkzaamheden niet hervat, in weerwil van het oordeel van de bedrijfsarts en het deskundigenoordeel van het Uwv en ondanks de uitdrukkelijke waarschuwing voor disciplinaire maatregelen en de stopzetting van de bezoldiging. Zij is ook niet ingegaan op het verzoek van de stichting in elk geval een poging te doen tot werkhervatting.
4.5. De Raad ziet in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen aanleiding om nu anders te oordelen over de vraag of sprake was van omstandigheden die eraan in de weg stonden om (een poging te doen om) haar werk te hervatten dan hij in zijn uitspraak van 3 maart 2011 heeft gedaan. Dat, zoals appellante stelt, het deskundigenoordeel van het Uwv van 24 april 2006 de ongeschiktheid voor haar functie heeft aangetoond, is niet juist, omdat dat oordeel ziet op 9 maart 2006 en dus op een andere datum dan hier in geding.
4.6. Er is geen grond voor de veronderstelling van appellante dat de bedrijfsarts en het Uwv bij hun oordeel over haar arbeidsgeschiktheid uitsluitend zijn afgegaan op de - volgens haar onjuiste - medische rapportages die in het kader van de beoordeling van haar aanspraken op een WIA-uitkering zijn opgemaakt. Zoals uit die rapportages blijkt, zijn genoemde artsen op basis van hun onderzoek en de overige medische gegevens, waaronder de WIA-beoordeling, tot een zelfstandige beoordeling gekomen van de geschiktheid van appellante voor haar werk als groepsleerkracht.
4.7. Het voorgaande brengt mee dat de opvatting van appellante dat zij niet tot het verrichten van haar werk als groepsleerkracht in staat is, ook beoordeeld naar de datum 16 oktober 2008, geen steun vindt in de beschikbare objectieve medische gegevens. Het is onder die omstandigheden als ernstig plichtsverzuim aan te merken dat zij desondanks haar werk niet heeft hervat.
4.8. Niet is gebleken dat het plichtsverzuim appellante niet is toe te rekenen. Daarom was de stichting bevoegd haar een disciplinaire straf op te leggen. Van de opgelegde straf van ontslag kan niet worden gezegd dat deze onevenredig is aan de aard en de ernst van het plichtsverzuim.
4.9. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.G. Treffers en G.F. Walgemoed als leden, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2012.
(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans
(getekend) S.K. Dekker
HD