ECLI:NL:CRVB:2012:BY0611

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 oktober 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-2308 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.H.M. Roelofs
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 43 WWBArt. 44 WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag bijstand met terugwerkende kracht wegens ontbreken bijzondere omstandigheden

Appellante verzocht om bijstand met ingang van 3 februari 2009, maar meldde zich pas op 28 september 2009. Het college van burgemeester en wethouders van Maastricht wees de aanvraag voor de periode vóór 28 september 2009 af wegens het ontbreken van bijzondere omstandigheden.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze beslissing ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat zij om gezondheidsredenen of door haar moeizame relatie met haar dochter niet eerder bijstand had kunnen aanvragen. De Raad oordeelde dat de medische gegevens onvoldoende waren om dit te onderbouwen en dat appellante uit eerdere correspondentie en bankafschriften had kunnen afleiden dat haar inkomen onder het bijstandsniveau lag.

De Raad benadrukte dat het tijdig indienen van een bijstandsaanvraag tot de eigen verantwoordelijkheid van de betrokkene behoort. De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het besluit van het college en de uitspraak van de rechtbank, en wees het hoger beroep af.

Uitkomst: De aanvraag om bijstand met terugwerkende kracht wordt afgewezen wegens het ontbreken van bijzondere omstandigheden.

Uitspraak

11/2308 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 9 maart 2011, 10/496 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (college)
Datum uitspraak: 16 oktober 2012
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. I. Wudka, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 september 2012. Voor appellante is verschenen mr. P.J.M. Bongaarts, kantoorgenoot van mr.Wudka. Het college heeft zich, zoals tevoren aangekondigd, niet laten vertegenwoordigen.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante heeft zich op 28 september 2009 gemeld en verzocht om haar met ingang van 3 februari 2009 in aanmerking te brengen voor aanvullende bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 30 november 2009, voor zover hier nog van belang, heeft het college appellante bijstand toegekend met ingang van 28 september 2009. Over de periode van 3 februari 2009 tot en met 27 september 2009 is de gevraagde bijstand geweigerd op de grond dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die bijstand met terugwerkende kracht rechtvaardigen.
1.2. Bij besluit van 4 maart 2010 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 30 november 2009 ongegrond verklaard. Daarbij is onder meer overwogen dat, anders dan appellante heeft betoogd, wel eerder duidelijkheid omtrent de hoogte van de ZW-uitkering bestond en voorts dat, wat er zij van de problematische situatie met haar dochter, zij zelf voldoende alert diende te zijn en zonodig tijdig aanvullende bijstand had dienen aan te vragen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Volgens vaste rechtspraak inzake toepassing van de artikelen 43 en 44 van de WWB (CRvB 21 maart 2006, LJN AV8690) wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of - in voorkomende gevallen - een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.
4.2. Vaststaat dat appellante zich niet eerder dan op 28 september 2009 heeft gemeld voor het aanvragen van bijstand. Appellante heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat zij om gezondheidsredenen of anderszins buiten staat is geweest eerder dan op 28 september 2009 een aanvraag om bijstand in te dienen. De eerst in hoger beroep in geding gebrachte medische gegevens zien op een andere periode en zijn bovendien te vaag om daar een dergelijke conclusie op te kunnen baseren. Ook overigens is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die bijstandsverlening met ingang van een eerdere datum dan 28 september 2009 kunnen rechtvaardigen. De Raad onderschrijft in dat verband het oordeel van de rechtbank dat appellante uit eerdere brieven van het UWV en/of haar bankafschriften had kunnen afleiden of, wanneer en in hoeverre haar inkomen beneden bijstandsniveau lag. Dat appellante door de moeizame relatie met haar dochter minder alert zou zijn geweest op haar eigen financiële situatie werpt, wat daarvan zij, geen ander licht op de situatie, aangezien de tijdige indiening van een bijstandsaanvraag onverminderd tot de eigen verantwoordelijkheid van een betrokkene behoort. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het college de ingangsdatum van de bijstand terecht met toepassing van de hoofdregel op
28 september 2009 heeft gesteld.
4.3. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep geen doel treft. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2012.
(getekend) R.H.M. Roelofs
(getekend) M. Sahin