ECLI:NL:CRVB:2012:BY0956
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- Rechtspraak.nl
Voortzetting WIA-uitkering als WGA-vervolguitkering bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid
Appellant betwist het besluit van het UWV om zijn WIA-uitkering voort te zetten als een WGA-vervolguitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 45-55%, omdat hij meent volledig en duurzaam arbeidsongeschikt te zijn. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellant niet volledig arbeidsongeschikt is, waardoor hij niet in aanmerking komt voor een IVA-uitkering.
In hoger beroep handhaaft de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De medische beoordeling en het onderzoek zijn zorgvuldig en de bezwaarverzekeringsarts concludeerde terecht dat appellant beperkingen heeft, maar niet volledig arbeidsongeschikt is. Het UWV heeft een arbeidsdeskundig rapport overgelegd waaruit blijkt dat appellant geschikt is voor functies als inpakker, productiemedewerker textiel en huishoudelijk medewerker, met een verlies aan verdienvermogen van circa 53%.
Appellant voerde aan dat de motivering van de functiebelasting onvoldoende is en dat hij niet over het vereiste opleidingsniveau beschikt. De Raad oordeelt dat de bezwaararbeidsdeskundige dit voldoende heeft onderbouwd en dat de functie huishoudelijk medewerker gebouwen passend is, ook al verschilt het functienummer en opleidingsniveau.
De Raad veroordeelt het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Tevens wordt het betaalde griffierecht aan appellant vergoed.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op een IVA-uitkering en wijst het verzoek om schadevergoeding af, maar veroordeelt het UWV tot vergoeding van proceskosten.