ECLI:NL:CRVB:2012:BY1115

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 oktober 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-5304 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en bijstand
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking bijstand wegens niet tijdig verstrekken gegevens

De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen de intrekking van bijstand over de periode van 1 augustus 2005 tot en met 17 oktober 2006 door het college van burgemeester en wethouders van Haarlem. Het college had de bijstand ingetrokken omdat appellant niet binnen de gestelde termijn de noodzakelijke gegevens had aangeleverd om het recht op bijstand vast te stellen.

Appellant kreeg meerdere verzoeken om onder meer bankafschriften, loonspecificaties en verklaringen over gehuurde garageboxen, met een uiterste inleverdatum van 25 oktober 2010. Ondanks verzoeken om uitstel, die niet gemotiveerd waren en waarbij appellant geen concrete pogingen had gedaan om de gegevens te verkrijgen, verstrekte hij de gevraagde stukken niet op tijd.

De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen de intrekking ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak. De Raad oordeelde dat de termijn van vier weken voldoende was, mede gezien eerdere verzoeken en het feit dat appellant deels zelf over de gegevens beschikte. Het risico van het wachten op alle gegevens van derden lag bij appellant. Het hoger beroep werd daarom verworpen.

Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd omdat appellant niet tijdig de gevraagde gegevens verstrekte.

Uitspraak

11/5304 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 3 augustus 2011, 11/1777 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (college)
Datum uitspraak: 23 oktober 2012
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. W.G. Fischer, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Fischer. Het college heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.Bij brief van 28 september 2010 heeft het college appellant het navolgende bericht:
“U ontving een uitkering voor de noodzakelijke kosten van levensonderhoud volgens de Wet werk en bijstand (WWB). Na uw bezwaar op het besluit van 13 december 2005 is bij beschikking van 7 september 2006 besloten dat uw uitkering onterecht is ingetrokken per 1 augustus 2005. Om de hoogte van de bijstand te kunnen vaststellen is getracht duidelijkheid te krijgen in uw leefsituatie vanaf 1 augustus 2005. Hiervoor zijn een aantal gegevens bij u opgevraagd. Op 12 september, 26 september, 4 oktober en 18 oktober 2006 heeft u hierover brieven ontvangen. Wij beschikken tot op heden, ondanks herhaalde verzoeken, over onvoldoende gegevens om het recht op bijstand over de periode van 1 augustus 2005 tot en met 17 oktober 2006 vast te kunnen stellen. Ondanks het bovenstaande stellen wij u hierbij nogmaals in de gelegenheid alle ontbrekende stukken over de periode van 1 augustus 2005 tot en met 17 oktober 2006 in te leveren.”
1.2. In de onder 1.1 genoemde brief heeft het college, samengevat, gevraagd om een aantal afschriften uit 2006 van een tweetal rekeningen, een schriftelijke verklaring over door appellant gehuurde garageboxen, alsmede loonspecificaties en inkomstenverklaringen over een aantal maanden uit 2006. Deze gegevens moesten uiterlijk 25 oktober 2010 bij het college binnen zijn. Het college heeft appellant er daarbij op gewezen dat, indien appellant niet tijdig alle gevraagde gegevens verstrekt, het recht op bijstand over de betreffende periode niet kan worden vastgesteld.
1.3. Bij brief aan het college van 16 oktober 2010 heeft mr. Fischer namens appellant verzocht om uitstel omdat het “wat meer tijd gaat kosten om gegevens boven tafel te krijgen”. Appellant heeft bij brief van 21 oktober 2010 zelf nog een uitstelverzoek gedaan aan het college.
1.4. Bij besluit van 29 oktober 2010 heeft het college de bijstand over de periode van 1 augustus 2005 tot en met 17 oktober 2006 ingetrokken op de grond dat appellant de gevraagde gegevens niet heeft verstrekt, waardoor het recht op bijstand dan wel de hoogte ervan niet is vast te stellen. Gelet op het feit dat appellant al in 2006 meermalen in de gelegenheid is gesteld de gevraagde stukken in te leveren, heeft het college in de verzoeken om uitstel geen aanleiding gezien de geboden termijn te verlengen.
1.5. Bij besluit van 16 februari 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 29 oktober 2010 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bepreken grond tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Het hoger beroep spitst zich toe op de vraag of de appellant geboden termijn van vier weken om de verzochte gegevens te verstrekken onredelijk kort is.
4.2. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellant met de geboden termijn voldoende tijd is gegeven om de noodzakelijke gegevens te verstrekken. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat het college appellant ook in het verleden reeds meermalen om deze gegevens heeft verzocht, dat appellant ten minste een deel van deze gegevens niet van derden hoefde te betrekken maar daarover zelf de beschikking had en dat de termijn om nog ontbrekende bankafschriften op te vragen volgens appellant twee weken bedroeg. Mede gelet op de ervaringen uit het verleden had appellant erop bedacht dienen te zijn dat hem niet zonder meer weer uitstel zou worden verleend voor het aanleveren van de gevraagde stukken, te minder nu in de later tijdens de lopende termijn nog ingediende en ongemotiveerde verzoeken om uitstel ook niet was vermeld of en, zo ja, in hoeverre hij op dat moment al concrete pogingen had gedaan om de benodigde gegevens te verkrijgen en/of bij derden op te vragen. Dat appellant naar zijn zeggen eerst alles op orde wilde hebben en wilde wachten totdat alle gegevens van derden binnen zouden zijn, moet, wat daarvan zij, voor zijn rekening en risico worden gelaten.
4.3. Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en E.J. Govaers en E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2012.
(getekend) R.H.M. Roelofs
(getekend) N.M. van Gorkum
HD