ECLI:NL:CRVB:2012:BY1192
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- K.E. Haan
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, een interieurverzorgster, viel op 19 oktober 2007 uit wegens psychische klachten. Tijdens de wachttijd werd haar arbeidsongeschiktheid beoordeeld in het kader van de Wet WIA. De verzekeringsarts stelde beperkingen vast en maakte een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). De arbeidsdeskundige concludeerde dat appellante niet geschikt was voor haar eigen functie, maar wel voor vijf andere functies, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid onder de 35% lag.
Het UWV besloot op 12 maart 2010 dat appellante geen recht had op een WIA-uitkering. Appellante maakte bezwaar en voerde aan dat zij meer beperkingen had en dat het maatmanloon onjuist was geïndexeerd. De bezwaarverzekeringsarts en bezwaararbeidsdeskundige bevestigden de eerdere bevindingen en het bezwaar werd ongegrond verklaard.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en in hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten. De Raad oordeelde dat de medische en arbeidskundige grondslagen zorgvuldig waren vastgesteld en dat appellante haar stellingen onvoldoende had onderbouwd met medische gegevens. De functies waarop de beoordeling was gebaseerd, waren medisch geschikt voor appellante. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering.
Uitkomst: Appellante heeft geen recht op een WIA-uitkering omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt.