ECLI:NL:CRVB:2012:BY1192

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 oktober 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-6270 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
  • K.E. Haan
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante, een interieurverzorgster, viel op 19 oktober 2007 uit wegens psychische klachten. Tijdens de wachttijd werd haar arbeidsongeschiktheid beoordeeld in het kader van de Wet WIA. De verzekeringsarts stelde beperkingen vast en maakte een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). De arbeidsdeskundige concludeerde dat appellante niet geschikt was voor haar eigen functie, maar wel voor vijf andere functies, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid onder de 35% lag.

Het UWV besloot op 12 maart 2010 dat appellante geen recht had op een WIA-uitkering. Appellante maakte bezwaar en voerde aan dat zij meer beperkingen had en dat het maatmanloon onjuist was geïndexeerd. De bezwaarverzekeringsarts en bezwaararbeidsdeskundige bevestigden de eerdere bevindingen en het bezwaar werd ongegrond verklaard.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en in hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten. De Raad oordeelde dat de medische en arbeidskundige grondslagen zorgvuldig waren vastgesteld en dat appellante haar stellingen onvoldoende had onderbouwd met medische gegevens. De functies waarop de beoordeling was gebaseerd, waren medisch geschikt voor appellante. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering.

Uitkomst: Appellante heeft geen recht op een WIA-uitkering omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt.

Uitspraak

11/6270 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 12 september 2011, 10/1416 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 19 oktober 2012
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. W.H.A. Bos, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2012. Appellante is, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. R. Spanjer.
OVERWEGINGEN
1. Appellante, die interieurverzorgster is geweest, is op 19 oktober 2007 uitgevallen wegens psychische klachten. In verband met het volbrengen van de wachttijd heeft een beoordeling plaatsgevonden in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). In dat kader is appellante onderzocht door de verzekeringsarts P.J. Janssen, die in zijn rapport van 18 december 2009 heeft vastgesteld dat appellante als gevolg van haar psychische klachten beperkingen heeft. Met inachtneming van deze beperkingen heeft hij een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld. Vervolgens is de arbeidsdeskundige A. Mewiss in zijn rapport van 4 maart 2010 tot de conclusie gekomen dat appellante niet meer geschikt is voor haar eigen functie maar nog wel geschikt voor een vijftal andere functies. Op basis van drie van deze functies heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op minder dan 35%. In overeenstemming met dit rapport heeft het Uwv bij besluit van 12 maart 2010 vastgesteld dat voor appellante geen recht op een Wet WIA-uitkering is ontstaan omdat zij met ingang van 16 oktober 2009 minder dan 35% arbeidsongeschikt was.
2.1. In bezwaar heeft appellante gesteld dat zij meer beperkingen heeft en dat om die reden de geselecteerde functies niet geschikt voor haar zijn. Daarnaast is zij van mening dat het maatmanloon niet juist is geïndexeerd.
2.2. De bezwaarverzekeringsarts J.L. Waasdorp heeft in zijn rapport van 27 augustus 2010 te kennen gegeven dat hij zich kan verenigen met de voor appellante vastgestelde FML. De bezwaararbeidsdeskundige P. Leentjes heeft in zijn rapport 8 september 2010 een nadere toelichting gegeven op de indexering van het maatmanloon. Voorts heeft hij één van de geselecteerde functies laten vervallen vanwege de in deze functie voorkomende nachtarbeid en heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op eveneens minder dan 35%. Bij besluit van 9 september 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
3. In beroep heeft appellante gesteld dat haar belastbaarheid in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies wordt overschreden.
4. De rechtbank heeft zich zowel met de medische als de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit kunnen verenigen en heeft het beroep ongegrond verklaard.
5. In hoger beroep heeft appellante de eerder in de procedure naar voren gebrachte gronden herhaald.
6. De Raad overweegt als volgt.
6.1. De (bezwaar)verzekeringsartsen hebben een zorgvuldig onderzoek ingesteld naar de klachten van appellante en de daaruit voortvloeiende beperkingen, waarbij in overweging is genomen dat de verzekeringsarts appellante heeft onderzocht en de bezwaarverzekeringsarts de hoorzitting heeft bijgewoond. Voorts wordt op grond van de beschikbare medische gegevens geoordeeld dat de in de FML vastgestelde beperkingen niet voor onjuist kunnen worden gehouden. De stelling van appellante dat zij meer beperkingen heeft ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren, alsmede het omgaan met conflictsituaties heeft zij niet onderbouwd aan de hand van medische gegevens.
6.2. Uitgaande van de juistheid van de FML wordt geoordeeld dat de functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante, gelet op de aan deze functies verbonden belastende aspecten. Dit is met het rapporten van de arbeidsdeskundige van 9 juni 2010 en de bezwaararbeidsdeskundige van 8 september 2010 voldoende toegelicht.
6.3. Op grond van de overwegingen 6.1 en 6.2 moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van K.E. Haan. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2012.
(getekend) J.W. Schuttel
(getekend) K.E. Haan