ECLI:NL:CRVB:2012:BY1199

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 oktober 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-4108 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid na psychische klachten

Appellante, werkzaam als assemblagemedewerker via een uitzendbureau, viel op 2 april 2008 uit wegens psychische klachten. Tijdens de wachttijd werd een WIA-beoordeling uitgevoerd, waarbij verzekeringsarts D. Grubben beperkingen vaststelde en een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opstelde. De arbeidsdeskundige K.T. Tulmans concludeerde dat appellante niet geschikt was voor haar eigen werk, maar wel voor zes andere functies, met een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.

Het UWV stelde bij besluit van 30 maart 2010 vast dat appellante geen recht had op een WIA-uitkering. Appellante maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard na een rapport van bezwaarverzekeringsarts J.L. Waasdorp. Zowel de rechtbank als de Centrale Raad van Beroep bevestigden deze besluiten.

De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen niet waren onderschat. De medische informatie van behandelaars bood geen aanleiding tot een andere conclusie. Ook was niet aannemelijk dat appellante vanwege medische behandeling niet beschikbaar was voor arbeid. De functies waarop de arbeidsongeschiktheid was gebaseerd, waren medisch gezien passend.

De Raad bevestigde daarom het besluit dat appellante geen WIA-uitkering toekomt en wees een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Appellante heeft geen recht op een WIA-uitkering omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is verklaard.

Uitspraak

11/4108 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 30 mei 2011, 10/1428 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 19 oktober 2012
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. R.A.N.H. Verkoeijen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2012. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. R. Spanjer.
OVERWEGINGEN
1. Appellante, via een uitzendbureau werkzaam geweest als assemblagemedewerker, is op 2 april 2008 uitgevallen wegens psychische klachten. In verband met het volbrengen van de wachttijd heeft een beoordeling plaatsgevonden in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Appellante is onderzocht door de verzekeringsarts D. Grubben, die in zijn rapport van 15 februari 2010 tot de conclusie is gekomen dat appellante als gevolg van psychische klachten beperkingen heeft. Met inachtneming van deze beperkingen heeft hij een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld. Vervolgens is de arbeidsdeskundige K.T. Tulmans in zijn rapport van 23 maart 2010 tot de conclusie gekomen dat appellante niet meer geschikt is voor haar eigen werk maar nog wel voor een zestal andere functies. Op basis van drie van deze functies heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op minder dan 35%. In overeenstemming met dit rapport heeft het Uwv bij besluit van 30 maart 2010 vastgesteld dat voor appellante geen recht op een Wet WIA-uitkering is ontstaan omdat zij met ingang van 31 maart 2010 minder dan 35% arbeidsongeschikt was.
2. Het door appellante tegen dat besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv, na een rapport van 31 augustus 2008 van de bezwaarverzekeringsarts J.L. Waasdorp, bij besluit van 13 september 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
3. In beroep heeft appellante primair gesteld dat zij geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft. Subsidiair heeft zij gesteld dat zij meer beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen en dat zij om die reden de voor haar geselecteerde functies niet kan uitoefenen.
4. De rechtbank heeft zich met zowel de medische als de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit kunnen verenigen en heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
5. In hoger beroep heeft appellante dezelfde gronden naar voren gebracht als in beroep.
6. De Raad overweegt als volgt.
6.1. De (bezwaar)verzekeringsartsen hebben een zorgvuldig onderzoek ingesteld naar de klachten van appellante en de daaruit voortvloeiende beperkingen, waarbij in overweging is genomen dat zij de beschikking hebben gehad over informatie uit de behandelende sector. Voorts kan op grond van de beschikbare medische gegevens niet worden geconcludeerd dat de beperkingen van appellante als gevolg van haar psychische klachten zijn onderschat. Het door de bezwaarverzekeringsarts J.L. Waasdorp in zijn rapport van 24 december 2010 ingenomen standpunt dat de door appellante in beroep ingebrachte (medische) informatie van psychiater A. Böhlke en het Regionaal Centrum Geestelijke Gezondheidszorg Venlo geen aanleiding vormt voor het aannemen van meer beperkingen kan niet voor onjuist worden gehouden. Evenmin heeft appellante aannemelijk gemaakt dat zij ten tijde hier in geding vanwege een medische behandeling (deels) niet beschikbaar was voor het verrichten van arbeid. Geconcludeerd moet worden dat de voor appellante per einde wachttijd vastgestelde FML niet voor onjuist kan worden gehouden.
6.2. Uitgaande van de juistheid van de per einde wachttijd vastgestelde FML is de Raad van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante, gelet op de aan deze functies verbonden belastende aspecten. Dit is met het rapport van de arbeidsdeskundige Tulmans van 23 juni 2010 voldoende toegelicht.
6.3. Op grond van de overwegingen 6.2 en 6.3 moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2012.
(getekend) J.W. Schuttel
(getekend) K.E. Haan