ECLI:NL:CRVB:2012:BY1206
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens geen toegenomen arbeidsongeschiktheid
Appellant, die sinds 1996 arbeidsongeschikt is vanwege psychische en rugklachten, verzocht in 2010 opnieuw om een WAO-uitkering. Het UWV weigerde dit omdat uit medisch onderzoek bleek dat de beperkingen niet waren toegenomen sinds de eerdere beoordeling. Zowel de verzekeringsarts als de bezwaarverzekeringsarts concludeerden dat er geen objectiveerbare medische afwijkingen waren die een toename van arbeidsongeschiktheid konden onderbouwen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak in hoger beroep. Appellant voerde aan dat zijn rugklachten en psychische klachten waren toegenomen en overhandigde een brief van zijn huisarts die hem naar een psychiater verwees, maar stelde zich niet onder behandeling vanwege financiële redenen.
De Raad oordeelde dat deze informatie onvoldoende was om het oordeel van het UWV te weerleggen, aangezien geen diagnose was gesteld en de beoordeling zich richtte op de periode tot juli 2010. De Raad concludeerde dat er geen sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 43a van de WAO en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van het UWV om appellant opnieuw in aanmerking te brengen voor een WAO-uitkering wordt bevestigd.