ECLI:NL:CRVB:2012:BY1206

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 oktober 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-886 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 43a WAO
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens geen toegenomen arbeidsongeschiktheid

Appellant, die sinds 1996 arbeidsongeschikt is vanwege psychische en rugklachten, verzocht in 2010 opnieuw om een WAO-uitkering. Het UWV weigerde dit omdat uit medisch onderzoek bleek dat de beperkingen niet waren toegenomen sinds de eerdere beoordeling. Zowel de verzekeringsarts als de bezwaarverzekeringsarts concludeerden dat er geen objectiveerbare medische afwijkingen waren die een toename van arbeidsongeschiktheid konden onderbouwen.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak in hoger beroep. Appellant voerde aan dat zijn rugklachten en psychische klachten waren toegenomen en overhandigde een brief van zijn huisarts die hem naar een psychiater verwees, maar stelde zich niet onder behandeling vanwege financiële redenen.

De Raad oordeelde dat deze informatie onvoldoende was om het oordeel van het UWV te weerleggen, aangezien geen diagnose was gesteld en de beoordeling zich richtte op de periode tot juli 2010. De Raad concludeerde dat er geen sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 43a van de WAO en wees het hoger beroep af.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van het UWV om appellant opnieuw in aanmerking te brengen voor een WAO-uitkering wordt bevestigd.

Uitspraak

11/886 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 23 december 2010, 10/2848 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 19 oktober 2012
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. B. Anik, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Anik en E. Battaloglu als tolk. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M.W.A. Blind.
OVERWEGINGEN
1.1. Appellant is in 1996 met psychische klachten en rugklachten uitgevallen voor zijn toenmalige werk als ijzervlechter. Het Uwv heeft met ingang van 29 augustus 1997 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) geweigerd. Naar aanleiding van een melding toegenomen arbeidsongeschiktheid heeft het Uwv appellant met ingang van 9 maart 1998 in aanmerking gebracht voor een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Die uitkering is met ingang van 12 juli 2006 ingetrokken, daar hij minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht.
1.2. In een schrijven van 29 januari 2010 heeft appellant opnieuw verzocht voor een WAO-uitkering in aanmerking te worden gebracht.
1.3. In een medisch onderzoeksverslag van 16 april 2010 is door de verzekeringsarts vermeld dat appellant destijds een WAO-uitkering heeft ontvangen in verband met psychische klachten in combinatie met rugklachten. Bij de laatste herbeoordeling in 2005 blijkt sprake te zijn van een belangrijke mate van herstel en zijn nog enige beperkingen op het psychische vlak aangenomen. De verzekeringsarts heeft tijdens het onderzoek geen aanwijzingen gezien voor psychopathologie en/of ernstige persoonlijkheidsproblematiek. De verzekeringsarts heeft informatie opgevraagd bij de huisarts van appellant. In een schrijven van 1 april 2010 heeft I. Klein Breteler, huisarts in opleiding, aangegeven dat appellant niet in een depressie is. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat niet is gebleken dat de beperkingen van appellant zijn toegenomen ten gevolge van ziekteoorzaken die aan de eerder verstrekte WAO-uitkering ten grondslag hebben gelegen.
1.4. Bij besluit van 29 april 2010 heeft het Uwv geweigerd appellant met toepassing van de verkorte wachttijd van vier weken, als bedoeld in artikel 43a van de WAO, met ingang van 29 januari 2010 in aanmerking te brengen voor de door hem verzochte WAO-uitkering, om reden dat geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid.
1.5. In bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts dossieronderzoek verricht. Op grond van de resultaten daarvan heeft zij zich in een rapport van 22 juli 2010 kunnen stellen achter de conclusies van de verzekeringsarts. De bezwaarverzekeringsarts heeft geconcludeerd dat de eerder geclaimde rugklachten destijds niet waren te onderbouwen en ook nu niet zijn te onderbouwen middels objectiveerbare medische afwijkingen. De bezwaarverzekeringsarts heeft verder geconstateerd dat appellant noch in januari 2010 noch ten tijde van de herbeoordeling in juli 2010 bekend was met enige therapie of behandeling op psychisch vlak. De medicatie Fluoxetine is op zich onvoldoende reden om meer of andere psychische beperkingen aan te nemen. De bezwaarverzekeringsarts heeft geen aanleiding gezien om een eigen medisch onderzoek bij appellant te verrichten.
1.6. Bij besluit van 30 juli 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden om de verzekeringsartsen niet te volgen in hun oordeel dat de beperkingen die ten grondslag hebben gelegen aan de WAO-uitkering van appellant in 2010 niet zijn toegenomen. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij toenemende rugklachten heeft, als gevolg waarvan hij ook psychische klachten heeft. Appellant is van mening dat de medische rapporten van het Uwv onvolledig en onzorgvuldig zijn. Appellant heeft een brief van 19 maart 2012 overgelegd waarin de huisarts appellant op diens verzoek verwijst naar een psychiater. Appellant stelt om financiële redenen ervan te hebben afgezien zich onder behandeling te stellen van een psychiater.
3.2. Ter zitting heeft de gemachtigde van het Uwv aangegeven dat de informatie van de huisarts ziet op 2012 en dat de huisarts in 2010 heeft gemeld dat van een depressie geen sprake was. De beoordeling van de bezwaarverzekeringsarts of sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid ziet op de periode januari 2010 tot juli 2010.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De Raad verenigt zich met de overwegingen en het daarop gegronde oordeel van de rechtbank. De Raad heeft in hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht en aan nadere stukken heeft overgelegd geen aanknopingspunten aangetroffen om tot een andersluidend oordeel te komen. Uit de overgelegde informatie van de huisarts van 19 maart 2012 kan niet worden afgeleid dat appellant in verband met psychische klachten meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen. Appellant heeft zich niet tot een psychiater gewend en er is geen enkele diagnose gesteld. De Raad is van oordeel dat door de verzekeringsartsen van het Uwv terecht is geconcludeerd dat de beperkingen die ten grondslag hebben gelegen aan de WAO-uitkering van appellant in 2010 niet zijn toegenomen en dat van een toegenomen arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 43a van de WAO geen sprake is.
4.2. Het overwogene onder 4.1 voert tot de slotsom dat het hoger beroep van appellant niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient derhalve te worden bevestigd.
5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2012.
(getekend) J.W. Schuttel
(getekend) K.E. Haan