ECLI:NL:CRVB:2012:BY1399
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op WIA-uitkering wegens voldoende belastbaarheid
Appellante was werkzaam in deeltijd als schoonmaakster en begeleidster verzorging, maar viel in november 2005 uit vanwege diverse klachten waaronder schouder-, rug-, astmatische en psychische klachten. Het UWV stelde bij besluit van 18 januari 2010 vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en verklaarde haar bezwaar tegen dit besluit bij besluit van 17 juni 2010 ongegrond.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond en onderschreef de medische en arbeidskundige onderbouwing van het UWV. In hoger beroep stelde appellante dat haar beperkingen werden onderschat en dat zij vanwege haar klachten niet voltijds kon werken, met name vanwege vermoeidheid en psychische klachten.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante geen nieuwe gronden had ingebracht die de eerdere conclusies konden weerleggen. Uit de medische gegevens bleek geen objectief-medisch aantoonbare ernstige problematiek die deelname aan het arbeidsproces op voltijdse basis in de weg stond. Ook de arbeidskundige beoordeling werd bevestigd, ondanks een onjuiste overweging over reductie van het uurloon.
De Raad concludeerde dat er geen aanwijzingen zijn dat appellante duurzaam niet kan werken of alleen met urenbeperking. Het drukke gezinssituatie met zes kinderen, waaronder een gehandicapt kind, werd buiten beschouwing gelaten. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.