ECLI:NL:CRVB:2012:BY1402
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van WAO-uitkering bij vermeende toegenomen nekklachten
Appellant, voormalig magazijnmedewerker, vroeg om een herbeoordeling van zijn WAO-uitkering wegens vermeende toegenomen klachten, met name nek- en schouderklachten. Het UWV stelde na medisch onderzoek vast dat er geen toename van beperkingen was sinds de eerdere WAO-beoordeling in 2004, waarop appellant geen recht had op een WAO-uitkering.
In bezwaar en beroep voerde appellant aan dat zijn klachten waren toegenomen en overhandigde medische informatie van zijn huisarts en fysiotherapeut. De verzekeringsarts en de Raad concludeerden echter dat er geen sprake was van nieuwe of toegenomen beperkingen die een uitkering rechtvaardigen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV terecht geen rekening hield met de nekklachten, omdat bij de eerdere beoordeling in 2004 geen beperkingen op die grond waren vastgesteld, conform artikel 43a van de WAO. Ook was er geen aanleiding om een deskundige in te schakelen. Het beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het UWV-besluit tot afwijzing van de WAO-uitkering bevestigd.