ECLI:NL:CRVB:2012:BY1885
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij opschorting Ziektewet-uitkering
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Utrecht waarin het beroep tegen het besluit van het UWV om de Ziektewet-uitkering te weigeren ongegrond werd verklaard. Hij verzocht om een voorlopige voorziening om voorschotten op zijn uitkering te ontvangen vanaf 5 september 2011.
De voorzieningenrechter overwoog dat een voorlopige voorziening alleen kan worden getroffen bij onverwijlde spoed en een spoedeisend belang. Hoewel appellant door de opschorting van de Ziektewet-uitkering zonder inkomen zit, ontving hij ten tijde van het verzoek een WW-uitkering die doorloopt tot 29 maart 2013. Er was geen sprake van een dreigende financiële noodsituatie.
Verder is gebleken dat een eventueel onverschuldigd verstrekte uitkering nog niet is ingevorderd en dat rekening wordt gehouden met de beslagvrije voet bij invordering. Er was geen zwaarwegend belang dat de bodemprocedure niet kon worden afgewacht. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend financieel belang.