ECLI:NL:CRVB:2012:BY2782

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 november 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-5049 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K. Zeilemaker
  • J.G. Treffers
  • G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 3 Besluit proceskosten bestuursrechtArtikel 20 Uitvoeringsregeling Functie-onderhoud Politie Twente
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek plaatsing professional tactische recherche bij politie Twente

Appellant verzocht om plaatsing in de hogere functie van professional tactische recherche bij de politie Twente, maar werd geplaatst in de functie van senior tactische recherche. De korpsbeheerder baseerde zijn besluit op een advies van een unitchef die een referteperiode van twee jaar hanteerde om de werkzaamheden te beoordelen.

De Raad oordeelde dat de korpsbeheerder in redelijkheid deze referteperiode kon hanteren en dat de werkzaamheden van appellant binnen deze periode niet voldeden aan de criteria voor de hogere functie. Hoewel appellant taken op het niveau van professional uitvoerde, was onvoldoende gebleken dat deze taken structureel en in opdracht van een leidinggevende werden verricht.

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde, omdat een collega die wel werd geplaatst in de hogere functie voldeed aan de gestelde eisen. De Raad vernietigde het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak, stelde de proceskosten vast en bepaalde dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

11/5049 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo 13 juli 2011, 09/1026, (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellant)
De Korpsbeheerder van de politieregio Twente (korpsbeheerder)
Datum uitspraak: 8 november 2012
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.H. Welter hoger beroep ingesteld.
De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens hebben partijen nog nadere stukken ingezonden.
Het onderzoek ter zitting in deze zaak heeft, gevoegd met de zaken van [C. te D.], nummer 11/5050, en [E. te F.], nummer 11/5048, plaatsgehad op 27 september 2012. Appellant is verschenen evenals [C.] en [E.], allen bijgestaan door mr. Welter. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. E.I. Bruinsma-van Straten, A.A.G. Hollink en O. Strikker. Na de zitting is de behandeling van de zaken gesplitst. In deze zaak wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.
OVERWEGINGEN
1.1. In het kader van een reorganisatie bij de politieregio Twente (politieregio) is appellant bij besluit van 23 september 2008 (besluit 1) met ingang van 1 september 2008 geplaatst in de functie van senior tactische recherche bij de Divisie Informatie en Recherche (DIR), salarisschaal 8. Tegen dit besluit is bezwaar gemaakt.
1.2. Intussen had appellant de korpsbeheerder verzocht om te bewerkstelligen dat hij geplaatst wordt in de functie van professional tactische recherche bij de DIR, salarisschaal 9. Een onderzoek werd toegezegd. Daarmee werd [H.] (H), unitchef bij de DIR, belast. H heeft op 22 september 2008 een advies uitgebracht. Bij besluit van 30 september 2008 (besluit 2) is het verzoek afgewezen. Ook tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. Bij besluit van 13 augustus 2009 (bestreden besluit) zijn de bezwaren tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, na een tussenuitspraak, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.1. Appellant vindt dat hij ten onrechte geplaatst is in de functie van senior tactische recherche en niet in de functie van professional tactische recherche. Hiertoe betwist hij op onderdelen de juistheid van het advies van H, welk advies aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd.
3.2. H heeft in zijn advies allereerst de belangrijkste verschillen tussen de functie van professional tactische recherche en senior tactische recherche in kaart gebracht. Aan de hand daarvan heeft hij de criteria geformuleerd waaraan de uitgevoerde werkzaamheden moeten voldoen om te kwalificeren voor indeling in de functie van professional. In het bijzonder moet de zaakscoördinatie zijn gedaan van langdurige onderzoeken, die meer dan een jaar hebben geduurd, die complex zijn en een hoog afbreukrisico kennen en waarbij langdurig zware bijzondere opsporingsmiddelen zijn ingezet. Vervolgens heeft hij alle onderzoeken die geheel of gedeeltelijk liepen in de referentieperiode van twee jaar, getoetst aan die criteria. Tot slot heeft hij de werkzaamheden van appellant binnen de referteperiode - van 1 januari 2006 tot
1 januari 2008 - in ogenschouw genomen en geconcludeerd dat de werkzaamheden die appellant heeft uitgevoerd in die periode en de rol die hij in die onderzoeken heeft vervuld, passen bij de functiebeschrijving van de senior tactische recherche. De korpsbeheerder heeft dit advies overgenomen.
3.3. Evenals de rechtbank en op de door de rechtbank aangegeven gronden is de Raad van oordeel dat de korpsbeheerder in redelijkheid heeft kunnen kiezen voor een referteperiode van twee jaar. Appellant wenst indeling in een functie waaraan een hogere salarisschaal is verbonden. De korpsbeheerder heeft daarom niet onterecht aansluiting gezocht bij de Uitvoeringsregeling Functie-onderhoud Politie Twente (Regeling). In artikel 20 van Pro die Regeling is bepaald dat sprake moet zijn van het gedurende langere tijd feitelijk opgedragen werkzaamheden verrichten die wezenlijk afwijken van de functie waarin de belanghebbende is ingedeeld. In de toelichting bij artikel 20 is Pro vermeld dat als uitgangspunt voor invulling van het begrip “gedurende langere tijd” een periode van een jaar wordt genomen. Een oprekking daarvan tot meer dan twee jaar, zoals appellant wenst, vormt geen juiste toepassing van de Regeling, nu immers juist in die laatste periode niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden voor indeling in een andere organieke functie. Voorts is van belang dat de korpsbeheerder deze referteperiode in alle gevallen consequent heeft toegepast.
3.4. De korpsbeheerder heeft in het voetspoor van het advies van H op goede gronden vastgesteld dat de werkzaamheden van appellant in de referteperiode vallen onder de werkzaamheden van de senior tactische rechercheur en dat de elementen van de functie van professional niet van toepassing waren.
3.5. Uit de functiebeschrijving van appellant, het advies van H en verklaringen van derden kan worden opgemaakt dat appellant tijdens onderzoeken wel diverse taken deed op het niveau van professional. Dit is echter niet van doorslaggevende betekenis, omdat onvoldoende is gebleken dat appellant die activiteiten altijd in opdracht van een leidinggevende (in zijn geval een teamleider), op zich nam en deze zo een bestanddeel van zijn functie werden.
3.6. Op grond van het voorgaande wordt geoordeeld dat de korpsbeheerder in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Waar het gaat om een collega, K, die wel werd geplaatst in de functie van professional, is dit niet het geval omdat hij wel voldeed aan de daarvoor gestelde eisen. Ten slotte kan appellant niet baten dat in een concreet geval de toepassing van de referteperiode op het eerste oog een toevallige uitkomst kan hebben; dat is inherent aan de gemaakte keuze, die volgens de overwegingen onder 3.3 de rechterlijke toets kan doorstaan.
4.1. Toch kan de aangevallen uitspraak waarbij het beroep ongegrond is verklaard niet in stand gelaten worden. Bij tussenuitspraak van 8 december 2010, 09/1024, heeft de rechtbank verweerder opgedragen een in die uitspraak genoemd gebrek dat kleeft aan het bestreden besluit, te herstellen. Dit is blijkens de aangevallen uitspraak gebeurd, maar aan de beoordeling of er aanleiding bestaat voor een proceskostenveroordeling is de rechtbank niet toegekomen. Dit is niet juist.
4.2. De Raad zal de aangevallen uitspraak dus vernietigen en, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het bestreden besluit vernietigen, voorzien in de proceskosten van appellant, en bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Voor de bepaling van de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht worden de zaken van appellant en van [M.] , nummer 11/5048, als samenhangende zaken in de zin van artikel 3, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) beschouwd. Dit leidt tot een bedrag van € 1.529,50 per zaak aan proceskosten.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep:
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;
- bepaalt dat de korpsbeheerder aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde
griffierecht van in totaal € 377,- vergoedt;
- veroordeelt de korpsbeheerder in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger
beroep tot een bedrag van € 1.529,50.
Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en J.G. Treffers en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 november 2012.
(getekend) K. Zeilemaker
(getekend) S.K. Dekker