Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 15 april 2011, 10/1177 (aangevallen uitspraak)
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (college)
Datum uitspraak: 8 november 2012
Namens appellant heeft mr. A. Bijlsma hoger beroep ingesteld.
Namens het college is een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 september 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bijlsma. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. Özer-Yildirim.
1. Appellant is sinds 1978 werkzaam bij de gemeente Eindhoven, op enig moment als [naam functie] in schaal 7, uitloopschaal 8. Bij besluit van 12 mei 2000 is hij per 26 april 2000 overgeplaatst van de dienst Algemene en Publiekszaken (DAPZ) naar de afdeling onderhoud van de dienst Maatschappelijke Ontwikkeling (MO). Hij werd belast met de functie van schilder, functieschaal 4. De bestaande salarisindeling (schaal 7, trede 10) van appellant is in dit besluit als garantie-indeling vastgesteld. Bij besluit van 18 januari 2001 is appellant na een reorganisatie van de sector Sport en Recreatie van de dienst MO geplaatst als schilder in deze sector. Meegedeeld is dat het functionele niveau van deze functie indicatief is vastgesteld op 4 en dat definitieve vaststelling zal volgen. De definitieve vaststelling heeft plaatsgevonden bij besluit van 17 maart 2005, waarbij tevens is bepaald dat appellant zijn garantie-indeling in schaal 7 (trede 11) behoudt. Sedert 2006 is appellant werkzaam als medewerker huishoudelijke dienst, later als ondersteunend facilitair medewerker C (functieschaal 3), nog steeds met behoud van zijn garantie-indeling (schaal 7, trede 11).
1.1. Bij besluit van 17 maart 2009 is de functie van schilder (vakinhoudelijk medewerker) ingedeeld in schaal 5 (uitloopschaal 6). De indeling heeft terugwerkende kracht tot het moment van de indicatieve waardering (1 januari 2001). Daarop heeft appellant verzocht hem alsnog te plaatsen in uitloopschaal 8, aangezien bij nader inzien het verschil in niveau tussen zijn oorspronkelijke functie en die van schilder niet meer dan twee schalen bedroeg. Bij besluit van 2 juni 2009 is op dit verzoek afwijzend beslist. Doordat de datum van terugwerkende kracht gelegen is na de datum van plaatsing van appellant als schilder, kan de latere wijziging van het functieniveau geen invloed hebben op de inschaling van appellant bij zijn overplaatsing van 26 april 2000.
1.2. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 december 2009 (bestreden besluit). Daarin is onder meer overwogen dat geen aanleiding bestaat om de ingangsdatum van de terugwerkende kracht van de indeling in functieschaal 5 vast te stellen op een vroeger tijdstip dan 1 januari 2001. Voor zover dat bij twee anderen wel is geschied berust dat op een fout, welke het college niet behoeft te herhalen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
3.1. Het bestreden besluit betreft de handhaving van de weigering om terug te komen van - onder meer - het rechtens onaantastbare besluit van 12 mei 2000, waarbij appellant de garantie-indeling in schaal 7, trede 10, kreeg en hem het in zijn vorige functie bestaande uitzicht op uitloopschaal 8 is ontzegd. Reden daarvoor was dat het verschil in salarisniveau bij de overgang van DAPZ naar MO meer dan twee schalen bedroeg (van 7 naar 4). Als nieuw gebleken feit heeft, zo is de Raad met appellant van oordeel, te gelden de besluitvorming rondom de uiteindelijke indeling in schaal 5 van de functie schilder die appellant na zijn overplaatsing in 2000 is gaan bekleden.
3.2. De vraag is dan of het college daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien respectievelijk om aan het verzoek van appellant tegemoet te komen. Appellant maakt daarop aanspraak op grond van het Sociaal Statuut GOGO van 15 juni 1999, dat gold ten tijde van de reorganisatie van 2000, meer in het bijzonder het bepaalde onder 3.4.2. Op grond daarvan behoudt een medewerker, die is geplaatst op een functie 1 of 2 schaalniveaus lager, zijn schaalindeling en anciënniteit en, als hij normaal/goed functioneert, ook het in de oude functie bestaande uitzicht op de naast hogere schaal.
3.3. Anders dan appellant stelt is niet gebleken dat hij destijds is overgeplaatst in het kader van de reorganisatie waarop dit Sociaal Statuut betrekking heeft. In het besluit tot overplaatsing is opgemerkt dat hij wordt overgeplaatst “in goed overleg met de directeur van de DAPZ”. Op grond van appellants eigen verklaring ter zitting is aannemelijk dat hij is overgeplaatst omdat hij bij DAPZ niet aan het werk kon als deurwaarder. In de begripsbepalingen onder 2.1 van het statuut staat verder vermeld welke ambtenaren belanghebbenden zijn in de zin van dit Sociaal Statuut en de dienst DAPZ staat daar niet bij. Namens het college is ter zitting verklaard dat de GOGO reorganisatie van destijds niet zag op DAPZ. Een toekenning van mobiliteitstoeslag op 18 oktober 2001, met daarin de vermelding dat hij in de GOGO-operatie is overgeplaatst naar de dienst MO, berust op een onvolkomenheid, aldus het college. Bedoeld zal zijn de reorganisatie van 2001 van de sector Sport en Recreatie. Gelet op die verklaring, die aannemelijk is nu de toeslag in 2001 en niet in 2000 is toegekend, kent de Raad aan die toekenning niet de betekenis toe die appellant graag ziet. Appellant kan aan het Sociaal Statuut van 1999 dus geen aanspraken ontlenen.
3.4. In (artikel 11 van) de Bezoldigingsregeling van de gemeente Eindhoven zijn geen aanknopingspunten te vinden voor de aanspraak van appellant.
3.5. Blijft over de vraag of appellant net zo behandeld had moeten worden als twee collega’s bij wie de terugwerkende kracht van de hogere schaalindeling wel doorwerkt tot een vroeger tijdstip dan 1 januari 2001. Van gelijke gevallen is geen sprake. Betrokkenen zijn in 2000 in dienst getreden, werden ingedeeld in schaal 4 en kregen als gevolg van de uiteindelijke waardering indeling in schaal 5; daarbij is - overigens per abuis aldus het college - de terugwerkende kracht uitgebreid naar de datum van hun individuele indiensttreding. De situatie van appellant is een geheel andere: hij beroept zich op indeling in uitloopschaal 8 vanuit een positie waarin hij niet meer werkzaam is als schilder. De consequenties daarvan zijn niet vergelijkbaar met de situatie van zijn twee collega’s.
4. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigt. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en J.G. Treffers en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 november 2012.