ECLI:NL:CRVB:2012:BY3669
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- E.J. Govaers
- E.C.R. Schut
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens schending inlichtingenverplichting en vermogen in onroerend goed
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB, maar het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam stelde na een onderzoek vast dat zij beschikte over bouwgrond in Turkije met een waarde die het vrij te laten vermogen overschreed. Het college besloot daarom de bijstand op te schorten, terug te vorderen en in te trekken over verschillende perioden.
Appellante voerde aan dat zij haar inlichtingenverplichting niet had geschonden omdat zij was geïnformeerd dat bezittingen onder € 10.000 niet gemeld hoefden te worden en betwistte de taxatiewaarde van de bouwgrond. De Raad oordeelde echter dat appellante redelijkerwijs had moeten weten dat het bezit van de bouwgrond van invloed was op haar recht op bijstand en dat zij haar inlichtingenverplichting had geschonden.
De Raad achtte het taxatierapport van de ambassade betrouwbaarder dan de verklaring van de gemeente Turkije, die niet was bedoeld als waardebepaling in het economisch verkeer. Het college was bevoegd de bijstand in te trekken op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank Rotterdam en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting en het bezit van vermogen in de vorm van bouwgrond.