ECLI:NL:CRVB:2012:BY4050

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 november 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12-1319 BESLU
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 8:57 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in bestuursrechtelijke procedure

Verzoekster heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad. De Centrale Raad van Beroep heeft in een eerdere uitspraak vastgesteld dat de procedure bijna vijf jaar heeft geduurd vanaf ontvangst van het bezwaarschrift bij het UWV tot de uitspraak van de Raad, en dat de redelijke termijn in de rechterlijke fase is overschreden.

De Staat heeft erkend dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro en heeft een vergoeding van €1.000,- aangeboden voor immateriële schade. Verzoekster heeft hiermee ingestemd. De Raad heeft vervolgens vastgesteld dat partijen het eens zijn over de vergoeding en heeft de Staat veroordeeld tot betaling van deze schadevergoeding.

Daarnaast heeft de Raad de Staat veroordeeld in de proceskosten van verzoekster, begroot op €218,50, voor verleende rechtsbijstand. De uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel en uitgesproken in het openbaar op 23 november 2012.

Uitkomst: De Staat is veroordeeld tot betaling van €1.000 schadevergoeding en €218,50 proceskosten aan verzoekster wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

12/1319 BESLU
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[A. te B.] (verzoekster)
de Staat der Nederlanden (de Minister van Veiligheid en Justitie) (Staat)
Datum uitspraak: 23 november 2012
PROCESVERLOOP
Namens verzoekster heeft mr. L.E. Nijk, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 5 maart 2010, 07/1418, in het geding tussen verzoekster en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).
Bij uitspraak van 23 maart 2012, LJN BW0307, heeft de Raad op dit hoger beroep beslist. Daarbij heeft de Raad onder andere bepaald dat het onderzoek onder het op het voorblad van deze uitspraak genoemde nummer wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van verzoekster om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), en heeft de Raad de Staat aangemerkt als partij in die procedure.
Namens de Staat heeft drs. B.E.J. Klein Schiphorst, werkzaam bij de Raad voor de rechtspraak, bij brief van 7 augustus 2012 een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Bij brieven van 20 augustus 2012 en 6 september 2012 heeft verzoekster daarop gereageerd.
Met toestemming van partijen is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven als bedoeld in artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ter afdoening heeft de Raad de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.
OVERWEGINGEN
1. In zijn uitspraak van 23 maart 2012 heeft de Raad vastgesteld dat vanaf de ontvangst door het Uwv op 27 maart 2007 van het bezwaarschrift van verzoekster tot de datum van bedoelde uitspraak de procedure bijna vijf jaar heeft geduurd. Voorts is vastgesteld dat het vermoeden bestaat dat de redelijke termijn in de rechterlijke fase is overschreden.
2. Namens de Staat is - kort weergegeven - erkend dat de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM, in de rechterlijke fase is overschreden en dat verzoekster in aanmerking komt voor een vergoeding van immateriële schade. Daarbij is te kennen gegeven dat verzoekster een vergoeding van € 1000,- toekomt.
3. Verzoekster heeft in haar brief van 6 september 2012 te kennen gegeven zich te kunnen vinden in de berekening van de Staat, zoals weergegeven in de brief van 7 augustus 2012.
4.1. De Raad stelt vast dat partijen het erover eens zijn dat verzoekster een schadevergoeding van € 1000,- toekomt wegens overschrijding van de redelijke termijn in de procedure die is geëindigd met de onder 1 vermelde uitspraak van de Raad. Tussen partijen bestaan geen overige geschilpunten.
4.2. Er wordt aanleiding gezien om de Staat te veroordelen in de proceskosten van verzoekster in deze schadeprocedure. Deze kosten worden begroot op € 218,50 (0,5 punt voor het indienen van de reactie van 20 augustus 2012) voor verleende rechtsbijstand.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt de Staat tot betaling aan verzoekster van een schadevergoeding van € 1.000,-;
- veroordeelt de Staat in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag groot € 218,50, te betalen door de Staat aan de griffier van de Raad.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 november 2012.
(getekend) J.W. Schuttel
(getekend) Z. Karekezi