ECLI:NL:CRVB:2012:BY4473

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 november 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-1617 ZW-T
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over de hoogte van de ZW-uitkering en de behandeling van een verzoek tot herziening door het Uwv

In deze tussenuitspraak van de Centrale Raad van Beroep wordt de hoogte van de Ziektewet (ZW) uitkering van appellante besproken. Het Uwv had in een besluit van 5 maart 2010 vastgesteld dat appellante recht had op een ZW-uitkering met een dagloon van € 26,25. Appellante heeft echter op 9 juni 2010 een brief gestuurd waarin zij haar onvrede over de hoogte van het dagloon kenbaar maakte. Het Uwv heeft deze brief ten onrechte als een bezwaarschrift aangemerkt en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat zou zijn ingediend. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het Uwv de brief van appellante had moeten opvatten als een verzoek om terug te komen van het eerder genomen besluit, zoals bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hierdoor kan het bestreden besluit niet in stand blijven en moet het worden vernietigd. De Raad draagt het Uwv op om binnen zes weken een besluit te nemen op het verzoek van appellante zoals neergelegd in haar brief van 9 juni 2010.

De zaak heeft een procesverloop gekend waarbij mr. P.H.M. Hartmans als advocaat namens appellante hoger beroep heeft ingesteld. Tijdens de zitting op 17 oktober 2012 was mr. Hartmans niet aanwezig, maar het Uwv werd vertegenwoordigd door mr. D. de Jong. De rechtbank had eerder het beroep van appellante ongegrond verklaard, maar de Centrale Raad van Beroep komt tot de conclusie dat de behandeling van het verzoek tot herziening door het Uwv niet correct is verlopen. De uitspraak is gedaan in het openbaar op 28 november 2012.

Uitspraak

11/1617 ZW-T
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 28 januari 2011, 10/1059 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.]
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak 28 november 2012.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. P.H.M. Hartmans, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 4 oktober 2012 heeft mr. Hartmans de Raad laten weten dat appellante op 7 juli 2012 is overleden en zij namens de erfgenamen het hoger beroep voortzet.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 17 oktober 2012. Zoals was aangekondigd is mr. Hartmans niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong.
OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 5 maart 2010 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat zij met ingang van 13 februari 2010 recht heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Daarbij heeft het Uwv het dagloon vastgesteld op € 26,25. Bij brief van 9 juni 2010 heeft appellante onder toezending van nadere gegevens het Uwv laten weten zich niet te kunnen vinden in de hoogte van het vastgestelde dagloon. Bij besluit van 30 juni 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift te laat is ingediend en er geen bijzondere omstandigheden waren om een verschoonbare termijnoverschrijding aan te nemen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen aanleiding is om de termijnoverschrijding bij het indienen van het bezwaarschrift verschoonbaar te achten. Volgens de rechtbank dient de keuze van appellante om hulp en advies aan derden te vragen waarmee veel kostbare tijd verloren is gegaan en dat vervolgens tot termijnoverschrijding heeft geleid, geheel voor eigen rekening en risico van appellante te blijven. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden voor het oordeel dat appellante ten tijde hier in geding geheel buiten staat is geweest om tijdig een (voorlopig) bezwaarschrift bij het Uwv in te dienen.
3. In hoger beroep heeft appellante herhaald dat in haar geval een uitzondering moet gelden. Kort voor het besluit van 5 maart 2010 heeft zij te horen gekregen dat zij ongeneeslijk ziek was. Hierdoor is haar wereld op de kop gezet. Zij heeft geen beroep kunnen doen op haar echtgenoot aangezien deze zwaar beperkt is. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante nadere stukken ingebracht.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Het Uwv heeft de brief van appellante van 9 juni 2010 aangemerkt als een bezwaarschrift tegen het besluit van 5 maart 2010. In deze brief is het volgende te lezen: “Graag wil ik het Uwv verzoeken om de situatie van [appellante] opnieuw te bekijken en de aan haar toegekende uitkering opnieuw te berekenen. Ik ben als hulpverlener aan mevr. verbonden en heb met verbazing mogen vernemen dat mevr. momenteel een zeer lage ziektewetuitkering ontvangt. Er is reeds meerdere keren contact geweest met het Uwv rondom deze situatie maar deze geven aan dat voor verdere aanvulling mevr. zich het beste kon melden bij de sociale dienst van de gemeente Maastricht. De gemeente heeft de situatie met ons bekeken en kwam tot de conclusie dat de berekening zoals verricht door het Uwv niet correct is. Bijgevoegd vindt u alle loonstroken van mevr. ook van voor de periode dat deze ziek werd. Derhalve zijn we van mening dat de door het Uwv toegekende ziektewetuitkering niet correct is.”
4.2. Gelet op het bepaalde in artikel 6:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt geoordeeld dat het Uwv ten onrechte de brief van 9 juni 2010 heeft aangemerkt als een bezwaarschrift op het besluit van 5 maart 2010. In het licht van de in 4.1 weergegeven tekst van de brief van 9 juni 2010 had het Uwv deze brief moeten opvatten als een verzoek van appellante om terug te komen van het in rechte vaststaande besluit van 5 maart 2010 zoals bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Het bestreden besluit kan om die reden dan niet in stand blijven en moet worden vernietigd. Dit geldt ook voor de aangevallen uitspraak waarbij de rechtbank het bestreden besluit in stand heeft gelaten.
4.3. In het bestreden besluit heeft het Uwv als nadere informatie aangegeven dat het bezwaarschrift wordt doorgestuurd naar de uitkeringsafdeling met het verzoek om appellantes brief aan te merken als een verzoek tot herziening. Tevens is vermeld dat de uitkeringsafdeling daarop een beslissing zal nemen. Desgevraagd ter zitting van 17 oktober 2012 heeft de gemachtigde van het Uwv verklaard dat nog niet is beslist op het verzoek tot herziening. Om die reden zal het Uwv worden opgedragen om binnen zes weken een beslissing te nemen op het herzieningsverzoek van appellante.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak een besluit te nemen op het verzoek van appellante zoals is neergelegd in de brief van 9 juni 2010.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 november 2012.
(getekend) Ch. van Voorst
(getekend) H.J. Dekker
KR