ECLI:NL:CRVB:2012:BY4650

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 november 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-4349 WUV + 11-4350 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • R. Kooper
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering van voorzieningen voor kosten van verpleeghulp en intrekking van tegemoetkoming voor DMV

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 29 november 2012 uitspraak gedaan over de weigering van een voorziening voor de kosten van verpleeghulp aan appellante, die erkend is als vervolgde in de zin van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv). Appellante, geboren in het voormalig Nederlands-Indië, had eerder een tegemoetkoming voor DMV ontvangen, maar deze werd ingetrokken na haar opname in een verpleeghuis. De Raad oordeelde dat de kosten van verpleeghulp niet in verband stonden met de uit de vervolging voortvloeiende klachten, maar eerder met de ziekte van Alzheimer van appellante. De Raad stelde vast dat de beperkingen van appellante niet te relateren waren aan haar verleden als vervolgde, maar aan haar degeneratieve aandoening.

Het procesverloop begon met een wijziging van taken binnen de Sociale verzekeringsbank, waarbij de Raad van Bestuur in de plaats trad van de Raadskamer WUV van de Pensioen en Uitkeringsraad. Appellante had beroep ingesteld tegen twee besluiten van verweerder, die de aanvragen voor voorzieningen had afgewezen. Tijdens de zitting op 18 oktober 2012 was appellante niet aanwezig, maar werd zij vertegenwoordigd door haar echtgenoot. De Raad heeft de ingediende adviezen van geneeskundig adviseurs van verweerder in overweging genomen, die bevestigden dat de opname in het verpleeghuis het gevolg was van de ziekte van Alzheimer en niet van de vervolging.

De Raad concludeerde dat de intrekking van de tegemoetkoming voor DMV terecht was, aangezien appellante door haar opname in het verpleeghuis geen kosten meer maakte die onder deze voorziening vielen. De Raad benadrukte dat de Wuv niet de mogelijkheid biedt om de billijkheid van de voorwaarden te beoordelen. Uiteindelijk verklaarde de Centrale Raad van Beroep de beroepen ongegrond en gaf geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitspraak

11/4349 WUV, 11/4350 WUV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak in de gedingen tussen
Partijen:
[A. te B. ] (appellante)
de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)
Datum uitspraak: 29 november 2012
PROCESVERLOOP
In verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), is in dit geding de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank in de plaats getreden van de Raadskamer WUV van de Pensioen en Uitkeringsraad (PUR). Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de voormalige Raadskamer WUV van de PUR.
Namens appellante heeft haar echtgenoot [echtgenoot] beroep ingesteld tegen twee besluiten van verweerder van 8 juni 2011, kenmerk BZ01286275 (bestreden besluit 1) en kenmerk BZ01288487 (bestreden besluit 2). Deze besluiten betreffen de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940 1945 (Wuv).
Verweerder heeft verweerschriften ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2012. Appellante is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door
A.T.M. Vroom-van Berckel.
OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante is in [geboortejaar] geboren in het toenmalig Nederlands-Indië. Bij besluit van 3 juni 2009 heeft verweerder haar erkend als vervolgde in de zin van de Wuv. Daarbij is aanvaard dat appellante tijdens de Japanse bezetting geïnterneerd is geweest in Kampong Makassar en in een kamp te Bandoeng of Tjimahi. Haar aanvraag om een periodieke uitkering en voorzieningen voor sociaal vervoer en deelname aan het maatschappelijk verkeer (DMV) is echter afgewezen. Bij besluit van 2 april 2010 heeft verweerder het hiertegen gerichte bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard. Aan appellante is alsnog een tegemoetkoming voor DMV toegekend.
1.2. In augustus 2010 is appellante opgenomen in een verpleeghuis. Bij brief van 2 september 2010 heeft de dochter van appellante dit aan verweerder meegedeeld. Daarbij heeft zij namens appellante verzocht om verhoging van de toekenningen op grond van de Wuv. Verweerder heeft dit verzoek aangemerkt als een aanvraag om een voorziening voor de kosten van verpleeghulp.
1.3. Bij besluit van 19 november 2010 heeft verweerder geweigerd een voorziening voor de kosten van verpleeghulp toe te kennen. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij bestreden besluit 1.
1.4. Bij besluit van 23 november 2010 heeft verweerder, vanwege de opname in het verpleeghuis, de aan appellante toegekende tegemoetkoming voor DMV ingetrokken. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij bestreden besluit 2.
2. Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.
2.1. Bij het onder 1.1 genoemde besluit van 2 april 2010 heeft verweerder aanvaard dat appellante psychische klachten heeft die in verband staan met de vervolging. Deze klachten hebben echter niet geleid tot verminderd functioneren ten opzichte van leeftijdsgenoten. De beperkingen die appellante ondervindt, zijn toe te schrijven aan de ziekte van Alzheimer. Dit is een degeneratieve aandoening, die niet in verband staat met de vervolging, aldus het besluit. Bij het nemen van dit besluit is verweerder afgegaan op een advies van zijn geneeskundig adviseur, de arts G.L.G. Kho, die appellante daartoe thuis heeft onderzocht. Tegen het besluit heeft appellante geen beroep ingesteld.
2.2. Het thans bestreden besluit 1 berust op twee adviezen van geneeskundig adviseurs van verweerder, de artsen A.J. Maas en G.L.G. Kho. Deze adviezen komen erop neer dat appellante in het verpleeghuis is opgenomen vanwege de (verergerde) klachten die voortvloeien uit haar Alzheimer. Die zienswijze is in overeenstemming met het aanvullend sociaal rapport en met de verdere gedingstukken. Er zijn geen objectieve medische gegevens naar voren gekomen die twijfel doen rijzen aan de overweging in het besluit van 2 april 2010 dat de Alzheimer degeneratief van aard is en niet aan de internering door de Japanners kan worden toegeschreven.
2.3. Namens appellante is aangevoerd dat zij in toenemende mate lijdt aan herbelevingen van haar kamptijd. Het is zelfs zo erg, dat zij het verpleeghuis aanziet voor het Jappenkamp. Naar het oordeel van de Raad is daarmee echter niet gezegd dat appellante vanwege de herbelevingen in het verpleeghuis moet verblijven. De reden voor de opname in het tehuis is en blijft gelegen in de beperkingen die zij door de ziekte van Alzheimer ondervindt. De omstandigheid dat al dan niet als gevolg van de Alzheimer bij appellante ook herinneringen uit het verre verleden tot leven komen en dat deze herinneringen helaas door de kamptijd worden getekend, is onvoldoende om te spreken van een opname wegens door de internering veroorzaakte psychische klachten.
2.4. Verweerder heeft zich dus terecht op het standpunt gesteld dat de kosten van verpleeghulp niet in verband staan met uit de vervolging voortvloeiende klachten. Om die reden komen deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking. Of dit naar de in [C.] geldende maatstaven anders zou zijn, is niet van belang. De Wuv is een Nederlandse wet en het staat de Raad niet vrij om de billijkheid van de daarin gestelde voorwaarden te beoordelen.
2.5. Het beroep tegen bestreden besluit 1 is dus ongegrond.
2.6. Wat betreft de DMV voert verweerder het beleid dat de tegemoetkoming wordt ingetrokken bij opname in een verpleeghuis of op de verpleegafdeling van een verzorgingshuis. De gedachte daarachter is dat de betrokkene onder die omstandigheden niet langer kosten maakt die onder deze voorziening vallen. Daarmee blijft verweerder binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling. Nu niet is gebleken dat appellante nog kosten voor DMV heeft, is haar tegemoetkoming op goede gronden ingetrokken.
2.7. Indien op enig moment toch (weer) sprake is van kosten voor DMV, kan appellante – zo heeft verweerder ter zitting bevestigd – een nieuwe aanvraag om een tegemoetkoming indienen. Voor dat geval voorziet het beleid in toekenning van het zogenoemde lage DMV bedrag.
2.8. Ook het beroep tegen bestreden besluit 2 is dus ongegrond.
3. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 november 2012.
(getekend) R. Kooper
(getekend) M.R. Schuurman