ECLI:NL:CRVB:2012:BY5760

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 december 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-5741 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • T. Hoogenboom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV waarin werd vastgesteld dat zij vanaf 5 december 2009 geen recht had op een WIA-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Zij stelde dat haar functionele beperkingen door bekken- en polsfracturen niet volledig waren meegewogen en dat zij niet de hele dag zittend werk kon verrichten.

De rechtbank had reeds geoordeeld dat het medische onderzoek door het UWV zorgvuldig was uitgevoerd en dat het besluit gebaseerd was op een deugdelijke medische grondslag. De bezwaarverzekeringsarts had kennisgenomen van diverse medische rapporten, waaronder die van de medisch adviseur en de revalidatiearts van appellante, en had de bevindingen van de primaire verzekeringsarts meegenomen.

De Raad concludeert dat de aanvullende medische stukken die appellante in hoger beroep heeft overgelegd geen aanleiding geven om het oordeel van de rechtbank te wijzigen. De functionele beperkingen waren volgens de CBBS-systematiek juist beoordeeld en er was geen bewijs dat appellante op de relevante datum niet ongeveer een uur achtereen kon zitten of beperkingen had in hand- en vingergebruik.

De arbeidskundige rapporten ondersteunen dat de belastbaarheid van appellante niet werd overschreden door de functies die bij de berekening van de arbeidsongeschiktheid werden gehanteerd. Gezien deze overwegingen bevestigt de Centrale Raad van Beroep het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid op 5 december 2009.

Uitspraak

11/5741 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 31 augustus 2011, 11/625 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.]
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak 7 december 2012.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. D. Maats, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Namens appellante zijn nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Maats. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.
OVERWEGINGEN
1. Het Uwv heeft bij beslissing op bezwaar van 27 juli 2010 (bestreden besluit) het bezwaar van appellante tegen het besluit van 19 april 2010 ongegrond verklaard. Bij dit besluit heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante met ingang van 5 december 2009 geen recht op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was op deze datum. Het bestreden besluit rust op verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige onderzoeken.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat de uitkomst van een door mr. drs. J.F.G. Wolthuis, medisch adviseur, in opdracht van appellante verricht onderzoek, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van
28 januari 2011, geen aanleiding geeft om te twijfelen aan de juistheid van de vaststelling van de belastbaarheid van appellante door de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv. De rechtbank heeft voorts geen aanleiding gezien om de door het Uwv bij de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid gehanteerde functies van schadecorrespondent, administratief medewerker (beginnend) en productiemedewerker industrie medisch ongeschikt te achten voor appellante, gelet op de daarbij gegeven toelichting door de bezwaararbeidsdeskundige van het Uwv.
3. Appellante heeft in hoger beroep herhaald dat haar functionele beperkingen ten gevolge van bekkenfracturen en een polsfractuur in 2007 niet volledig zijn meegewogen door het Uwv. Zij heeft naar voren gebracht dat zij op 5 december 2009 niet een hele dag zittend werk kon verrichten en slechts een deel van de dag kon worden belast. Ook stelt zij dat haar polsklachten zijn onderschat.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het medische onderzoek door het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest en dat het bestreden besluit berust op een deugdelijke medische grondslag. Daarbij heeft de rechtbank met juistheid in aanmerking genomen dat de bezwaarverzekeringsarts kennis heeft genomen van het rapport van medisch adviseur Wolthuis en van de medische stukken uit het dossier, en van de door appellante in bezwaar overgelegde informatie van haar revalidatiearts. De bezwaarverzekeringsarts heeft voorts de bevindingen van de primaire verzekeringsarts - die appellante persoonlijk heeft onderzocht op 20 januari 2010 - in zijn rapport vermeld. De door hem daaruit getrokken conclusies zijn inzichtelijk.
4.2. De stukken die in hoger beroep door appellante zijn toegezonden over de medische behandeling en haar herstel na het ongeval in 2007 geven geen reden het oordeel van de rechtbank onjuist te achten. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn reactie op deze stukken te kennen gegeven waarom daaruit, naar de maatstaven van de CBBS-systematiek gemeten, geen extra of zwaardere functionele beperkingen kunnen worden afgeleid geldend op de datum 5 december 2009. Uit de stukken is voorts niet gebleken dat appellante, zoals in de Functionele Mogelijkhedenlijst vermeld, op deze datum niet ongeveer een uur achtereen kon zitten op een foamkussen met de mogelijkheid om na tien tot vijftien minuten te verzitten. Ook volgt daar niet uit dat destijds voor haar hand- en vingergebruik of het werken met toetsenbord en muis een functionele beperking had moeten worden aanvaard.
4.3. Uitgaande van de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid, heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat in de arbeidskundige rapporten voldoende is toegelicht dat de belasting in de gehanteerde functies destijds appellantes mogelijkheden niet te boven ging.
4.4. Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.3 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 december 2012.
(getekend) T. Hoogenboom
(getekend) K.E. Haan
TM