ECLI:NL:CRVB:2012:BY5760
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV waarin werd vastgesteld dat zij vanaf 5 december 2009 geen recht had op een WIA-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Zij stelde dat haar functionele beperkingen door bekken- en polsfracturen niet volledig waren meegewogen en dat zij niet de hele dag zittend werk kon verrichten.
De rechtbank had reeds geoordeeld dat het medische onderzoek door het UWV zorgvuldig was uitgevoerd en dat het besluit gebaseerd was op een deugdelijke medische grondslag. De bezwaarverzekeringsarts had kennisgenomen van diverse medische rapporten, waaronder die van de medisch adviseur en de revalidatiearts van appellante, en had de bevindingen van de primaire verzekeringsarts meegenomen.
De Raad concludeert dat de aanvullende medische stukken die appellante in hoger beroep heeft overgelegd geen aanleiding geven om het oordeel van de rechtbank te wijzigen. De functionele beperkingen waren volgens de CBBS-systematiek juist beoordeeld en er was geen bewijs dat appellante op de relevante datum niet ongeveer een uur achtereen kon zitten of beperkingen had in hand- en vingergebruik.
De arbeidskundige rapporten ondersteunen dat de belastbaarheid van appellante niet werd overschreden door de functies die bij de berekening van de arbeidsongeschiktheid werden gehanteerd. Gezien deze overwegingen bevestigt de Centrale Raad van Beroep het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid op 5 december 2009.