ECLI:NL:CRVB:2012:BY6046

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 december 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-3364 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • T. Hoogenboom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV waarin werd vastgesteld dat hij vanaf 21 juni 2010 geen recht had op een WIA-uitkering vanwege een arbeidsongeschiktheidspercentage van minder dan 35%. De rechtbank ’s-Gravenhage verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundige onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat appellant in staat werd geacht bepaalde functies te vervullen.

In hoger beroep herhaalde appellant zijn stellingen over onderschatting van zijn functionele beperkingen, waaronder neurologische, psychische en longklachten, evenals angst voor een hersenbloeding en een huidaandoening. De Centrale Raad van Beroep beoordeelde dat het medisch onderzoek door het UWV voldoende zorgvuldig was en dat de bezwaarverzekeringsarts de bevindingen van de primaire verzekeringsarts terecht had overgenomen.

De door appellant overgelegde medische stukken gaven geen aanleiding om het oordeel van de rechtbank te herzien. De arbeidsdeskundige had bovendien adequaat rekening gehouden met de functionele beperkingen bij het selecteren van geschikte functies. De Raad bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en wees een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Geen recht op WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd.

Uitspraak

11/3364 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 27 april 2011, 10/8584 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B. ] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 7 december 2012
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. Y. Özdemir, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2012. Namens appellant is
mr. drs. P.R.L.V.M. Kruik, advocaat, verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.H.M. Visser.
OVERWEGINGEN
1. Het Uwv heeft bij beslissing op bezwaar van 22 oktober 2010 (bestreden besluit) het bezwaar van appellant tegen het besluit van 3 mei 2010 ongegrond verklaard. Bij dit besluit heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 21 juni 2010 geen recht op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was op deze datum. Het bestreden besluit rust op verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige onderzoeken.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen grond gezien voor het oordeel dat het verzekeringsgeneeskundige onderzoek onzorgvuldig was. Uitgaande van de voor appellant door de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv vastgestelde functionele beperkingen, moest appellant volgens de rechtbank op en na 21 juni 2010 in staat worden geacht tot het vervullen van de functies van productiemedewerker gebak, productiemedewerker/inpakster koekjes, productiemedewerker en productiemedewerker puntlassen.
3. Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat zijn functionele beperkingen, voortkomend uit onder meer neurologische, psychische en longklachten, zijn onderschat. Volgens hem is niet onderkend dat hij ernstige problemen ondervindt vanwege een huidaandoening en grote angst heeft om een hersenbloeding te krijgen. Hij concludeert dat het verzekeringsgeneeskundige onderzoek niet met de vereiste zorgvuldigheid is uitgevoerd en dat de door het Uwv vastgestelde functionele beperkingen niet draagkrachtig zijn gemotiveerd. De genoemde functies waren zijns inziens op 21 juni 2010 om medische redenen niet geschikt.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het medisch onderzoek door het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest en dat het bestreden besluit berust op een juiste medische grondslag.
4.2. De bezwaarverzekeringsarts heeft - na het bijwonen van de hoorzitting - gerapporteerd over het verzekeringsgeneeskundige onderzoek. Zijn rapport bevat een samenvatting van de gegevens uit het dossier, de gegevens die zijn verkregen tijdens de bezwaarprocedure, de medische bezwaren van appellant en een bespreking van de bezwaren van appellant. De bezwaarverzekeringsarts heeft voorts de bevindingen van de zogenoemde primaire verzekeringsarts - die appellant heeft onderzocht - in zijn rapport genoemd. De door de bezwaarverzekeringsarts uit het geheel van de bevindingen getrokken conclusie, dat terecht is uitgegaan van beperkingen zoals deze zijn vermeld door de primaire verzekeringsarts, is inzichtelijk en navolgbaar.
4.3. De stukken die in beroep door appellant zijn toegezonden van zijn huisarts van 26 mei 2010, de neuroloog van 16 oktober 2009 - dit is een rapport over een ziekenhuisopname gedurende 17 juni 2009 tot en met 22 juni 2009 op de afdeling Neurologie - en een ongedateerde verklaring van een psychiater en een psychotherapeut, inhoudend een rapport over de behandeling van appellant vanaf 5 februari 2009, geven geen reden om het oordeel van de rechtbank onjuist te achten. De bezwaarverzekeringsarts heeft in reactie op deze stukken te kennen gegeven waarom daaruit geen extra of zwaardere functionele beperkingen naar maatstaven van de CBBS-systematiek kunnen worden afgeleid geldend op de datum 21 juni 2010. Appellant heeft in hoger beroep niet met medische stukken onderbouwd dat er aanleiding is om anders te oordelen.
4.4. Uitgaande van de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid, heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat door de bezwaararbeidsdeskundige adequaat is onderbouwd dat bij het selecteren van voor appellant geschikt te achten functies voldoende rekening is gehouden met de functionele beperkingen van appellant en dat de belasting in de functies, die daadwerkelijk zijn gehanteerd bij de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage, zijn belastbaarheid niet te boven ging.
4.5. Hetgeen onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen brengt mee dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 december 2012.
(getekend) T. Hoogenboom
(getekend) K.E. Haan