ECLI:NL:CRVB:2012:BY6538
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering bijstand wegens gezamenlijke huishouding volgens WWB
Appellant diende op 7 oktober 2010 een aanvraag in voor bijstand op grond van de WWB en gaf daarbij een woonadres op. Het college weigerde de bijstand voor de periode van 7 oktober 2010 tot 7 januari 2011 omdat appellant niet als alleenstaande kon worden aangemerkt. Uit onderzoek van de sociale recherche, waaronder dossieronderzoek, getuigenverklaringen en een huisbezoek, bleek dat appellant en [K.] gezamenlijk hun hoofdverblijf hadden op het adres van [K.].
De rechtbank oordeelde dat de huurovereenkomst, de verklaringen van getuigen en de waarnemingen voldoende bewijs boden dat appellant en [K.] een gezamenlijke huishouding voerden. Ook werd vastgesteld dat sprake was van wederzijdse zorg, onder meer door financiële hulp en gedeelde kosten. Appellant voerde aan dat er sprake was van een overgangsperiode met verhuizen, maar dit weerlegde de rechtbank.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank en het college dat appellant en [K.] in de genoemde periode een gezamenlijke huishouding voerden. De processen-verbaal van de sociale recherche zijn als betrouwbaar beoordeeld. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van bijstand voor die periode blijft in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant en [K.] een gezamenlijke huishouding voerden en wijst het hoger beroep af.