ECLI:NL:CRVB:2012:BY6585
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding ondanks betwisting
Verzoeker heeft bijstand ontvangen op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college concludeerde dat verzoeker van 7 oktober 2010 tot 7 januari 2011 een gezamenlijke huishouding voerde met [K.], wat leidde tot afwijzing van bijstand over die periode en intrekking van bijstand vanaf 1 december 2011. Verzoeker betwistte dit en stelde dat sprake was van een commerciële kostgangersrelatie sinds 1 december 2011.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het onweerlegbare rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding van toepassing is indien partijen binnen twee jaar voorafgaand aan de aanvraag van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt en hoofdverblijf in dezelfde woning hebben. Dit vermoeden geldt ook zonder diepgaander onderzoek. Verzoekers stelling dat sprake is van een commerciële kostgangersrelatie werd verworpen omdat objectieve criteria voor gezamenlijke huishouding prevaleren.
De voorzieningenrechter wees het verzoek om een voorlopige voorziening af en bevestigde het besluit tot intrekking van bijstand. Het bezwaar en hoger beroep van verzoeker hadden geen schorsende werking. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs op 18 december 2012.
Uitkomst: De intrekking van bijstand wegens gezamenlijke huishouding wordt bevestigd en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.