ECLI:NL:CRVB:2012:BY6616
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging bijstand wegens onvoldoende re-integratie en beëindiging zelfstandige onderneming
Appellant ontvangt sinds 1996 bijstand en is vanaf 2002 actief als zelfstandig acupuncturist en therapeut. Het college heeft op grond van de WWB besloten dat appellant zijn onderneming per 1 september 2009 moet staken omdat deze zijn arbeidsinschakeling belemmert. Dit besluit is genomen na onderzoek waaruit bleek dat appellant onvoldoende solliciteert en zijn re-integratie belemmert.
De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard. Appellant voerde onder meer aan dat het college niet bevoegd is tot deze verplichting, dat het besluit een inbreuk maakt op zijn privéleven (artikel 8 EVRM Pro) en dat hij vertrouwen had op voortzetting van zijn onderneming. De Raad oordeelt dat het college op grond van artikel 55 WWB Pro bevoegd is om een dergelijke verplichting op te leggen als de onderneming een serieus beletsel vormt voor arbeidsinschakeling.
De Raad constateert dat appellant zich primair richt op zijn onderneming en daardoor de inschakeling in regulier werk belemmert. De inbreuk op zijn privéleven is proportioneel en het vertrouwensbeginsel faalt omdat geen ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De verplichting tot staking van de onderneming en verlaging van de bijstand worden bevestigd.