ECLI:NL:CRVB:2012:BY7266

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 december 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-2361 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling weigering Ziektewetuitkering na wijziging werkbeschrijving tuinbouwmedewerker

Appellant meldde zich ziek en verzocht om een Ziektewetuitkering, die door het UWV werd geweigerd omdat hij niet arbeidsongeschikt werd geacht. De rechtbank vernietigde een bezwaarbesluit, maar handhaafde de rechtsgevolgen omdat appellant geschikt was voor zijn werk als tuinbouwmedewerker in de paprikateelt, niet het eerder aangenomen werk in de anjerteelt.

Appellant stelde in hoger beroep dat hij niet tijdig kon reageren op de juiste werkbeschrijving en dat de bezwaarprocedure daardoor was uitgehold. Het UWV verweerde zich met het standpunt dat appellant zelf onjuiste informatie had verstrekt over zijn werkzaamheden.

De Raad oordeelde dat appellant zelf verantwoordelijk is voor de juiste werkbeschrijving en dat de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van het besluit in stand hield. De stelling van schending van het hoor- en wederhoorrecht werd verworpen, omdat uitgebreid over de medische klachten en werkbelasting was gesproken. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak wordt bevestigd.

Uitspraak

11/2361 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 13 april 2011, 10/8412 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 19 december 2012
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.H. Samama, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingezonden.
Het Uwv heeft een hem door de Raad gestelde vraag schriftelijk beantwoord.
Het onderzoek ter zitting in de zaak heeft plaatsgevonden op 14 november 2012. Voor appellant is mr. Samama verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.H.M. Visser.
OVERWEGINGEN
1.1. Appellant heeft zich op 22 februari 2010 ziek gemeld vanuit de situatie dat hij uitkering ontving ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Bij besluit van 10 maart 2010 heeft het Uwv geweigerd aan appellant met ingang van 22 februari 2010 uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toe te kennen, omdat hij per die datum niet ongeschikt was voor zijn arbeid. Bij besluit van 28 mei 2010 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 10 maart 2010 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij haar uitspraak van 12 januari 2011 het beroep van appellant tegen het besluit van 28 mei 2010 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is door de Raad bij uitspraak van heden vernietigd, maar de Raad heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.
1.2. Op 2 september 2010 heeft appellant zich wederom ziek gemeld wegens psychische klachten. Bij besluit van 4 oktober 2010 heeft het Uwv geweigerd aan appellant met ingang van 2 september 2010 een uitkering ingevolge de ZW toe te kennen. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 15 november 2010 heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 15 november 2010 (bestreden besluit) gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 15 november 2010 in stand blijven. Zij heeft daartoe - kort weergegeven - overwogen geen aanleiding te zien om te twijfelen aan de medische beoordeling door de bezwaarverzekeringsarts. Deze bezwaarverzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant, gelet op zijn klachten en op de werkbeschrijving van het laatstelijk door appellant verrichte werk van tuinbouwmedewerker in de paprikateelt, per 2 september 2010 geschikt was voor dat werk. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd omdat bij het bestreden besluit nog was uitgegaan van een ander beeld van appellants laatstelijk verrichte werkzaamheden (het pluizen of splitsen van anjers). Omdat de rechtbank van oordeel was dat appellant per 2 september 2010 in staat was tot het verrichten van het werk als tuinbouwmedewerker in de paprikateelt, heeft zij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten.
3.1. Appellant heeft in hoger beroep betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 15 november 2010 in stand blijven. Hij heeft gesteld dat het Uwv de bezwaarfase heeft uitgehold door eerst in beroep de juiste werkbeschrijving in te brengen en daarover de bezwaarverzekeringsarts meteen haar mening te laten geven. Hij is niet in de gelegenheid geweest om nog te reageren op de belasting die voortvloeit uit gewasverzorging en het oogsten in de paprikateelt en heeft ook niet kunnen reageren op het rapport van de bezwaarverzekeringsarts. Appellant heeft gesteld dat de rechtbank het beroep gegrond had moeten verklaren en opdracht had moeten geven aan het Uwv tot het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar. In die situatie zouden appellant en het Uwv opnieuw de bezwaarfase in kunnen gaan met de kennis die er tijdens het beroep ten aanzien van het werk van appellant is verkregen.
3.2. Het Uwv heeft in verweer gesteld het betoog van appellant niet te kunnen volgen, omdat appellant kennelijk slechts een formele vernietiging in beroep beoogt en niet een finale beslechting van het geschil. Daarnaast heeft het Uwv opgemerkt dat van het feit dat eerst van een onjuiste werkbeschrijving is uitgegaan niet alleen het Uwv is tegen te werpen. Appellant heeft in deze procedure bijgedragen aan het misverstand door mee te delen aan de verzekeringsarts dat hij twaalf jaar in de anjerteelt heeft gewerkt.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1. Het betoog van appellant dat de rechtbank niet had mogen overgaan tot het bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven, slaagt niet. Terecht merkt het Uwv op dat appellant bij uitstek degene is die kennis heeft over het laatstelijk door hem verrichte werk. In deze situatie is niet te aanvaarden dat appellant het Uwv tegenwerpt dat die ten onrechte steeds van een onjuist beeld van de werkzaamheden van appellant is uitgegaan. Het brengt tevens mee dat de stelling dat appellant pas laat in de procedure bij de rechtbank over de juiste werkbeschrijving kon beschikken en daarom is geschaad in zijn processuele positie, niet kan worden gevolgd. De omstandigheid dat appellant - naar hij stelt, want uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dit niet - ter zitting bij de rechtbank, uitdrukkelijk heeft verzocht om de zaak terug te wijzen naar de bezwaarfase, maakt niet dat de rechtbank niet de bevoegdheid toekomt om de zaak af te doen op de wijze zoals door haar is gedaan. Voorts blijkt uit het proces-verbaal van de zitting dat uitgebreid is gesproken over de medische klachten en beperkingen van appellant en dat deze klachten en beperkingen zowel door appellant als door het Uwv zijn afgezet tegen de belasting in het werk van tuinbouwmedewerker in de paprikateelt. Nu voorts de beslissing van de rechtbank om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven door de rechtbank inzichtelijk en toereikend is onderbouwd, treft het hoger beroep geen doel.
5. Er is geen aanleiding tot een veroordeling in de proceskosten.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en H. Bolt en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 december 2012.
(getekend) Ch. van Voorst
(getekend) H.J. Dekker