ECLI:NL:CRVB:2012:BY7761
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens ontbreken toegenomen arbeidsongeschiktheid in 2002
Appellante, werkzaam als begeleidster in de sociale psychiatrie, heeft haar werkzaamheden vanaf april 2002 verminderd en in juni 2003 volledig gestaakt wegens een medische aandoening die zij sinds haar 14e jaar heeft. Zij vroeg op 18 november 2009 een WAO-uitkering aan, die door het UWV op 9 juli 2010 werd geweigerd omdat geen sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid in 2002 en de eerste ziektedag niet kon worden vastgesteld.
De rechtbank Utrecht verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het UWV zorgvuldig onderzoek had gedaan, inclusief medische gegevens en verzekeringsgeneeskundig onderzoek. De laattijdige aanvraag en het ontbreken van zekerheid over de medische situatie in 2002 kwamen voor risico van appellante.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de beperkingen die in 2010 waren vastgesteld ook in 2002 aanwezig waren en dat er medische noodzaak was om haar werkzaamheden te verminderen. De Raad overwoog dat het ontbreken van medische interventies tussen 2002 en 2010 niet betekent dat er toen al sprake was van arbeidsongeschiktheid volgens de sociale zekerheidswetten. Uit het verzekeringsgeneeskundig onderzoek bleek geen wijziging in belastbaarheid en de vermindering van uren volgde op ouderschapsverlof.
Een verklaring van een revalidatiearts stelde dat beperkingen in 2010 waarschijnlijk ook in 2002 bestonden, maar deze was gebaseerd op anamnestische gegevens die juist in geschil waren. Dit was onvoldoende om het oordeel van het UWV te weerleggen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens het ontbreken van toegenomen arbeidsongeschiktheid in 2002.