ECLI:NL:CRVB:2012:BY8086

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 december 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12/6198 ZW-VV + 12/4983 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • T. Hoogenboom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:55 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:86 AwbArt. 18 BeroepswetArt. 21 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Centrale Raad van Beroep vernietigt onjuiste verzetuitspraak rechtbank en wijst zaak terug

Verzoeker had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Roermond waarin op verzet was beslist zonder dat een verzetschrift was ingediend. De rechtbank had een brief van verzoeker ten onrechte als verzetschrift aangemerkt terwijl deze slechts een gedingstuk was.

De voorzieningenrechter stelde vast dat de rechtbank haar uitspraak op verzet had gedaan zonder dat sprake was van een geldig verzetschrift, wat een schending van de beginselen van een goede procesorde inhoudt zoals neergelegd in artikel 8:55 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het appelverbod doorbroken kon worden wegens deze evidente schending en verklaarde het hoger beroep ontvankelijk. De uitspraak op verzet van 20 juli 2012 werd vernietigd en de zaak werd terugverwezen naar de rechtbank om het verzetschrift van 17 augustus 2012 in behandeling te nemen.

Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen omdat nader onderzoek niet bijdroeg aan de beoordeling en onmiddellijke uitspraak passend was. De uitspraak werd gedaan door T. Hoogenboom op 27 december 2012.

Uitkomst: De uitspraak van de rechtbank op verzet wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank.

Uitspraak

12/6198 ZW-VV en 12/4983 ZW
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening
Partijen:
[A. te B.]
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak 27 december 2012.
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft op 7 september 2012 een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2012. Verzoeker is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. R. Spanjer.
OVERWEGINGEN
1. De voorzieningenrechter verwijst voor de relevante feiten en de standpunten van partijen naar de dossierstukken en naar de uitspraak van de rechtbank Roermond van 20 juli 2012, 12/662.
2.1. Ingevolge artikel 18 en Pro artikel 21 van Pro de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Ingevolge artikel 21 van Pro de Beroepswet in verbinding met artikel 8:86 van Pro de Awb kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting waarin het verzoek is behandeld, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.
2.2. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Ook overigens is geen sprake van beletselen om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
3. Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de in 1 vermelde uitspraak van de rechtbank, welke uitspraak is gegeven onder toepassing van artikel 8:55, vijfde lid, van de Awb. Ingevolge artikel 18, tweede lid, aanhef en onder c, van de Beroepswet kan tegen een dergelijke uitspraak geen hoger beroep worden ingesteld. Volgens vaste rechtspraak kan aan het wettelijk appelverbod worden voorbijgegaan als sprake is van een evidente schending van de beginselen van een goede procesorde of van fundamentele rechtsbeginselen die een eerlijk proces waarborgen. Verzoeker heeft bedoeld te stellen, zo begrijpt de voorzieningenrechter, dat van een dergelijke schending sprake is omdat de rechtbank op het verzet heeft beslist alvorens verzoeker het verzetschrift, bedoeld in artikel 8:55, eerste lid, tweede volzin, van de Awb heeft ingezonden. Hij stelt dat hij had willen worden gehoord door de rechtbank.
4. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
4.1. Met haar, op een besluit terzake van een Ziektewetuitkering betrekking hebbende uitspraak van 10 juli 2012, die onder hetzelfde nummer is geregistreerd als de uitspraak op verzet vermeld onder 1, heeft de rechtbank het beroep van verzoeker kennelijk ongegrond verklaard. In deze uitspraak heeft de rechtbank verzoeker onder het kopje ‘Rechtsmiddel’ alsmede bij separate brief van 10 juli 2012 erop gewezen dat hij binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak verzet kan doen.
4.2. Op 20 juli 2012 heeft de rechtbank uitspraak op verzet gedaan. Kennelijk heeft de rechtbank de brief van verzoeker van 10 juli 2012 als verzetschrift aangemerkt. Van andere correspondentie van verzoeker in de periode van 10 juli 2012 tot en met 20 juli 2012, de datum van evengenoemde uitspraak op verzet, is niet gebleken.
4.3. De kwalificatie door de rechtbank van verzetschrift van de brief, vermeld in 4.2, is onjuist. Dit oordeel berust op de navolgende overwegingen.
4.3.1. Uit de inhoud van deze brief blijkt op generlei wijze dat verzoeker hiermee heeft beoogd verzet te doen tegen de uitspraak van de rechtbank van 10 juli 2012. Daarbij vertoont die brief qua inhoud en opbouw grote gelijkenis met de eerdere brieven van 15 mei, 21 juni, 22 juni en 6 juli 2012 die in het kader van de beroepsprocedure door verzoeker zijn ingebracht. Die brief had dan ook door de rechtbank moeten worden beschouwd als een gedingstuk, bestemd om te worden ingebracht in die procedure. Dit laatste blijkt temeer hieruit dat de rechtbank bij brief van 26 juni 2012 het Uwv in de gelegenheid heeft gesteld om naar aanleiding van het ingestelde beroep een verweerschrift in te dienen. Blijkens het poststempel daarvan heeft de rechtbank het verweerschrift op 16 juli 2012 ontvangen. Echter reeds voor die datum, zonder het verweerschrift af te wachten, heeft de rechtbank het beroep van verzoeker met haar uitspraak van 10 juli 2012 kennelijk ongegrond verklaard. Verzoeker mocht er gezien de uitnodiging van de rechtbank aan het Uwv om een verweerschrift in te dienen op vertrouwen dat, zolang het Uwv nog geen verweerschrift had ingediend, de rechtbank niet zonder meer uitspraak zou doen en dat hij, ter adstructie van de reeds ingediende gronden, nadere stukken kon overleggen.
4.3.2. Ter zitting is voldoende aannemelijk geworden dat verzoeker op het moment van overlegging van zijn brief van 10 juli 2012 nog niet op de hoogte was van de door de rechtbank op 10 juli 2012 gedane en op die datum aan verzoeker toegezonden uitspraak.
4.4. Gelet op de overwegingen 4.1 tot en met 4.3.2 is evident sprake van een schending van de beginselen van een goede procesorde, die zijn neergelegd in artikel 8:55 van Pro de Awb, nu de rechtbank haar uitspraak van 20 juli 2012 op verzet heeft gedaan zonder dat er sprake is van een verzetschrift van verzoeker. Er bestaat derhalve aanleiding om het appelverbod te doorbreken.
4.5. Uit hetgeen is overwogen in 4.4 volgt dat de voorzieningenrechter bevoegd is om kennis te nemen van het door verzoeker ingestelde hoger beroep.
4.6. Het hoger beroep slaagt. De door de rechtbank gedane verzetuitspraak van 20 juli 2012 dient te worden vernietigd. De zaak dient, teneinde het verzetschrift van 17 augustus 2012 in behandeling te nemen, te worden teruggewezen naar de rechtbank.
5. Van voor een proceskostenveroordeling in aanmerking komende kosten is niet gebleken.
BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de op verzet gedane uitspraak van de rechtbank van 20 juli 2012;
- wijst de zaak terug naar de rechtbank;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 december 2012.
(getekend) T. Hoogenboom
(getekend) Z. Karekezi
JL