ECLI:NL:CRVB:2013:1058

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 juli 2013
Publicatiedatum
18 juli 2013
Zaaknummer
12-5117 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N.J. van Vulpen-Grootjans
  • B.J. van der Griend
  • W.B.M. van Diepenbeek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:88 AwbArt. 21 BeroepswetArt. 10d:10 CAR/UWOArt. 10d:12 CAR/UWO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om herziening bestuursrechtelijke uitspraak over ontslag en beoordeling ambtenaar

Verzoeker heeft bij de Centrale Raad van Beroep een verzoek tot herziening ingediend tegen een eerdere uitspraak van 2 augustus 2012, waarin het hoger beroep van verzoeker tegen besluiten over studiefaciliteiten, beoordeling en ontslag werd behandeld. De Raad had destijds het ontslagbesluit vernietigd voor zover het niet met een ontslagregeling was verbonden en verzoeker aanvullende en na-wettelijke uitkeringen toegekend.

Het verzoek tot herziening richt zich op het oordeel over de beoordeling en het ontslag. Verzoeker stelde dat de beoordeling was gebaseerd op anonieme informatie die niet was geverifieerd en dat de ontslaggrond onvoldoende was gemotiveerd, met name vanwege tekortschietende verzuimbegeleiding en re-integratie. Tevens stelde verzoeker dat het procesdossier niet volledig was verstrekt, wat tot een andere uitspraak had kunnen leiden. Nieuwe omstandigheden werden pas na de uitspraak ontdekt en als nova aangeduid.

De Raad overwoog dat herziening slechts mogelijk is bij feiten of omstandigheden die vóór de uitspraak hebben plaatsgevonden, voor verzoeker onbekend waren en redelijkerwijs ook niet bekend konden zijn, en die tot een andere uitspraak hadden kunnen leiden. De door verzoeker aangevoerde argumenten betroffen inhoudelijke bezwaren tegen de eerdere uitspraak en nieuwe procedures die na de uitspraak zijn gestart, welke niet relevant zijn voor herziening.

De Raad concludeerde dat verzoeker geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangedragen die aan de criteria voor herziening voldeden en dat het verzoek feitelijk een hernieuwde discussie over de zaak betrof, waarvoor het bijzondere rechtsmiddel niet is bedoeld. Het verzoek om herziening werd daarom afgewezen zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om herziening van de bestuursrechtelijke uitspraak wordt afgewezen wegens ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
12/5117 AW, 12/5954 AW en 12/5955 AW
Meervoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 2 augustus 2012, 10/294 AW, 10/6969 AW, 11/2061 AW en 12/1056 AW
Partijen:
[A. te B.](verzoeker)
het college van burgemeester en wethouders van Nederweert (college)
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft om herziening verzocht van bovenvermelde uitspraak van de Raad.
Het college heeft een reactie op dit verzoek ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2013. Verzoeker is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.G. Kerkhof, advocaat en
G.A.C.L. Bruijnaers.

OVERWEGINGEN

1.
Op 1 januari 2013 is de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Stb. 2012, 682) in werking getreden. Met deze wet zijn wijzigingen in onder meer de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Beroepswet aangebracht. Op grond van het overgangsrecht blijft op deze zaak het recht van toepassing, zoals dat gold vóór 1 januari 2013.
2.1.
Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de uitspraak van 2 augustus 2012 waarvan herziening wordt verzocht (uitspraak) en naar de tussenuitspraak van 3 november 2011.
2.2.
Bij de uitspraak heeft de Raad, beslissend op het hoger beroep van verzoeker tegen drie uitspraken van de rechtbank over 1) de afwijzing van studiefaciliteiten, 2) de vaststelling van een beoordeling en 3) het besluit om verzoeker met ingang van 1 november 2010 ontslag te verlenen, de uitspraken van de rechtbank over de besluiten 1) en 2) bevestigd en - met vernietiging van uitspraak van de rechtbank over besluit 3) - het ontslagbesluit vernietigd voor zover daaraan niet alsnog een ontslagregeling is verbonden. De Raad heeft zelf in de zaak voorzien en verzoeker een aanvullende uitkering als bedoeld in de artikelen 10d:10 en volgende van de CAR/UWO en een na-wettelijke uitkering als bedoeld in de artikel 10d:12 en volgende van de CAR/UWO toegekend.
2.3.
Het verzoek om herziening is beperkt tot het oordeel van de Raad over de beoordeling en het ontslag, de besluiten 2) en 3).
2.4.
Over de beoordeling heeft verzoeker naar voren gebracht dat die is gebaseerd op anonieme informatie van derden die door niemand op waarheidsgehalte is gecontroleerd, terwijl uit getuigenverklaringen blijkt dat de door zijn leidinggevende G. beschreven informatie over zijn werkrelaties met derden in strijd is met de waarheid. In zijn tussen- en einduitspraak heeft de Raad volgens verzoeker ten onrechte geen rekening gehouden met zijn vaste jurisprudentie over anonieme informatie. Over het ontslag heeft verzoeker aangevoerd dat de Raad in zijn tussen- en einduitspraak geen enkele rechtsoverweging heeft gewijd aan de beroepsgrond dat sprake is geweest van tekortschietende verzuimbegeleiding en re-integratie na ziekteverzuim en ook hier zijn eigen jurisprudentie niet heeft gevolgd. Verzoeker acht het in strijd met die jurisprudentie dat het ontslag wegens verstoring van de arbeidsverhoudingen overeind is gebleven. Verder stelt verzoeker dat het college aan de bezwaarcommissie, de rechtbank en de Raad geen volledig procesdossier heeft gegeven. Was dat wel het geval geweest, dan had dat volgens hem tot een andere uitspraak kunnen leiden. Tot slot heeft verzoeker in zijn brief van 7 mei 2013 ter aanvulling van zijn herzieningsverzoek nog enkele omstandigheden vermeld die hem na inzage van zijn medisch dossier en zijn persoonsdossier zijn gebleken en die volgens hem als nova zijn aan te merken.
2.5.
Het college heeft in haar reactie op het herzieningsverzoek geconcludeerd dat dit moet worden afgewezen.
3.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
3.1.
Op grond van artikel 8:88, eerste lid van de Awb in samenhang met artikel 21 van Pro de Beroepswet kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
3.2.
De Raad ziet geen reden om de behandeling van het verzoek aan te houden tot de uitkomsten bekend zijn van de door verzoeker aangespannen (straf)klachtprocedures bij de Raad van Discipline en het Gerechtshof, zoals door verzoeker is gevraagd. Deze procedures dateren van na de uitspraak zodat, gelet op het gestelde onder a van artikel 8:88 van Pro de Awb, de uitkomsten daarvan voor de beoordeling van het verzoek niet relevant zijn. Dit geldt ook voor andere procedures, verzoeken en meldingen die verzoeker na de uitspraak in gang heeft gezet.
3.3.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad is het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie over de betrokken uitspraak te openen.
3.4.
Verzoeker heeft aan zijn verzoek om herziening van de uitspraak voor zover het de beoordeling betreft slechts argumenten ten grondslag gelegd die ertoe strekken op inhoudelijke gronden de juistheid van de uitspraak van 2 augustus 2012 in twijfel te trekken. Daarbij heeft verzoeker geen feiten of omstandigheden vermeld die vóór die uitspraak van hebben plaatsgevonden en die hem vóór die uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs ook niet bekend konden zijn. Verzoeker beoogt in feite een hernieuwde discussie over de zaak te voeren. Zoals onder 3.3 is opgemerkt, is het bijzondere rechtsmiddel van herziening hiervoor niet gegeven.
3.5.
Ook hetgeen verzoeker heeft aangevoerd over het in de uitspraak neergelegde oordeel van de Raad over het ontslag kan niet tot het door verzoeker gewenste resultaat leiden. Verzoeker had de in zijn verzoek genoemde argumenten op grond waarvan hij het ontslagbesluit onrechtmatig acht, naar voren kunnen brengen in het kader van de procedure die tot de uitspraak van 2 augustus 2012 heeft geleid. De overige door verzoeker genoemde omstandigheden voldoen evenmin aan het gestelde onder b van artikel 8:88 van Pro de Awb.
3.6.
Nu niet is voldaan aan de in artikel 8:88 van Pro de Awb gegeven maatstaven voor herziening van een onherroepelijk geworden uitspraak dient het verzoek om herziening te worden afgewezen.
4.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en
B.J. van der Griend en W.B.M. van Diepenbeek als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2013.
(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans
(getekend) B. Rikhof

HD