ECLI:NL:CRVB:2013:1062
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- B.J. van de Griend
- H.D. Stout
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontslag op andere gronden wegens verstoorde werkverhouding bij RDW
Appellant was sinds 1989 werkzaam bij de RDW en had sinds 2004 meerdere conflicten met zijn leidinggevenden, waaronder drie ernstige incidenten. Deze conflicten betroffen onder meer vermeende wantrouwende houding, beschuldigingen van mismanagement en een verstoorde samenwerking met zijn leidinggevende [C.].
Ondanks pogingen tot mediation en herplaatsing binnen de RDW, bleef de werkrelatie verstoord. De bedrijfsarts stelde vast dat er sprake was van een arbeidsconflict zonder medische ongeschiktheid. De RDW besloot appellant per 15 augustus 2010 eervol te ontslaan op grond van artikel 142 van Pro het Rechtspositiereglement RDW, omdat er geen uitzicht was op een vruchtbare samenwerking.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak. De Raad oordeelde dat het ontslag op voldoende feitelijke gronden berustte en dat het ontstaan en voortduren van de verstoorde verhouding niet in overwegende mate aan de RDW te wijten was. Appellant had herhaaldelijk disproportioneel gereageerd en geen gebruik gemaakt van aangeboden cursussen en mediation.
De Raad wees het verzoek van appellant af om zijn leidinggevende als getuige te horen, omdat dit geen nieuwe inzichten zou opleveren. De minimale ontslagvergoeding werd als passend beschouwd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het ontslag op andere gronden bevestigd.