ECLI:NL:CRVB:2013:1070
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- B.J. van de Griend
- W.D.M. van Diepenbeek
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontslag op grond van artikel 99 ARAR na beëindiging dienstverband met ontslagafspraken
Appellante was sinds 1 december 2008 werkzaam als uitvoeringscoördinator bij de Minister van Infrastructuur en Milieu. Door verstoorde arbeidsverhoudingen ontstonden vanaf 2009 problemen, waarna in 2010 gesprekken leidden tot schriftelijke ontslagafspraken op grond van artikel 99 van Pro het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR), ondertekend door appellante op 9 september 2010.
Op 23 september 2010 verleende de minister eervol ontslag. Appellante maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond omdat herstel van samenwerking niet mogelijk was en de uitkering redelijk was.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat ontslagafspraken een nadere regeling vormen van de ontslagbevoegdheid en dat partijen hieraan gebonden zijn op grond van rechtszekerheid, tenzij sprake is van wilsgebreken of bijzondere omstandigheden. Appellante stelde dat zij onder dwang had getekend en financieel tekort was gedaan, maar uit het dossier bleek geen druk uitgeoefend en waren de financiële gevolgen voorzienbaar.
De Raad concludeerde dat partijen gehouden zijn aan de ontslagafspraken en dat het hoger beroep niet slaagt. De Raad hoefde niet te oordelen over de oorzaak van de verstoorde verhoudingen en wees de klachten over vakantiegeld en eindejaarsuitkering af omdat deze niet tot het bestreden besluit behoren.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het ontslagbesluit op grond van artikel 99 ARAR wordt bevestigd.