Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2013:1146

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 juli 2013
Publicatiedatum
24 juli 2013
Zaaknummer
12-1560 AOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.J. Simon
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbAlgemene Ouderdomswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling verzoek tot herziening besluit partnertoeslag AOW wegens vermeende bijzondere omstandigheden

Appellant, geboren in 1931, ontving sinds 1996 een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) met de norm voor een gehuwde. Een partnertoeslag werd destijds geweigerd vanwege het vermeende hoge arbeidsinkomen van zijn echtgenote. In 2011 heeft de Sociale Verzekeringsbank (Svb) ambtshalve alsnog een partnertoeslag toegekend vanaf november 2005, omdat was gebleken dat de echtgenote een Wajong-uitkering ontvangt en geen arbeidsinkomen heeft.

Appellant verzocht vervolgens om herziening van het besluit voor de periode vóór november 2005, maar dit verzoek werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, omdat geen bijzondere omstandigheden waren die tot herziening konden leiden. In hoger beroep stelde appellant dat zijn financiële situatie bijzondere omstandigheden vormde.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het bestuursorgaan bevoegd is om verzoeken tot terugkomen op eerdere besluiten te beoordelen, maar dat toetsing zich moet beperken tot de vraag of er nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Appellant bracht geen dergelijke feiten aan. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening van het besluit tot toekenning van partnertoeslag over de periode tot november 2005 wordt afgewezen.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
12/1560 AOW
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 februari 2012, 11/4855 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.M.J. Langelaar, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2013. Appellant en zijn echtgenote zijn verschenen, bijgestaan door mr. T. van Uden, kantoorgenoot van mr. Langelaar. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Zuidersma.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is geboren [in] 1931. Sinds 1981 is appellant gehuwd met [naam echtgenote], die is geboren [in]1956.
1.2. Bij besluit van 24 april 1996 heeft de Svb op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) met ingang van 1 juli 1996 aan appellant een ouderdomspensioen toegekend naar de norm die geldt voor een gehuwde. Daarnaast is bij afzonderlijk besluit van eveneens 24 april 1996 vastgesteld dat appellant geen recht heeft op een partnertoeslag, omdat het inkomen in verband met arbeid van zijn echtgenote daar te hoog voor is. Tegen de besluiten van 24 april 1996 heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.
1.3. In het kader van het project ‘Wet harmonisatie en inkomensbesluit’ heeft de Svb bij ambtshalve genomen besluit van 9 maart 2011 alsnog een partnertoeslag aan appellant toegekend vanaf november 2005. Daarbij is te kennen gegeven dat de eerdere beslissing om aan appellant geen partnertoeslag toe te kennen berust op een fout van de Svb, aangezien is gebleken dat de echtgenote van appellant een Wajong-uitkering geniet en geen inkomen in verband met arbeid.
1.4. Bij brief van 29 juni 2011 is namens appellant aan de Svb verzocht om hem alsnog een partnertoeslag toe te kennen over de periode tot november 2005. Op dit verzoek, dat door de Svb is aangemerkt als verzoek om terug te komen van het besluit van 9 maart 2011, is bij besluit van 7 juli 2011 afwijzend beslist. Het bezwaar van appellant daartegen is bij besluit van 1 september 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat, hoewel appellant niet op tijd bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 9 maart 2011, de Svb dit besluit bij het bestreden besluit volledig heeft heroverwogen en dat in geschil is of er bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan de Svb niet had mogen weigeren om over de periode tot november 2005 alsnog een partnertoeslag aan appellant toe te kennen. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat er geen sprake is van zulke bijzondere omstandigheden en heeft het beroep tegen het bestreden besluit om die reden ongegrond verklaard.
3.
In hoger beroep heeft appellant het standpunt ingenomen dat zijn beroep bij de aangevallen uitspraak ten onrechte ongegrond is verklaard, aangezien er wel degelijk sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de Svb niet had mogen weigeren om over de periode tot november 2005 alsnog een partnertoeslag aan appellant toe te kennen. Daarbij heeft appellant onder meer gewezen op zijn financiële situatie in de betrokken periode.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Met betrekking tot het door de bestuursrechter te hanteren toetsingskader in gevallen als het onderhavige, waarin het gaat om een beslissing die uitsluitend betrekking heeft op een periode voorafgaande aan het verzoek om terug te komen, overweegt de Raad als volgt.
4.2.
Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd een verzoek van de belanghebbende om van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen, inhoudelijk te behandelen en daarbij de oorspronkelijke beslissing - al dan niet in volle omvang - te heroverwegen. Bewoordingen en strekking van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staan daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid een eerdere beslissing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsing zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijnen voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De bestuursrechter dient dan ook het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had moeten vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.
4.3.
De Raad is van oordeel dat appellant ter ondersteuning van zijn verzoek om terug te komen van het besluit van 9 maart 2011 geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd. Hiervan uitgaande, kan niet worden gezegd dat de Svb niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.
4.4.
In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat, hoewel appellant niet op tijd bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 9 maart 2011, de Svb dit besluit bij het bestreden besluit volledig heeft heroverwogen en dat in geschil is of er bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan de Svb niet had mogen weigeren om over de periode tot november 2005 alsnog een partnertoeslag aan appellant toe te kennen. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat er geen sprake is van zulke bijzondere omstandigheden. Deze wijze van toetsing van het bestreden besluit kan gelet op punt 4.2 niet worden onderschreven, maar dat leidt gelet op punt 4.3 niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak, aangezien de rechtbank heeft geoordeeld dat het beroep van appellant ongegrond is.
4.5.
Uit punt 4.1 tot en met punt 4.4 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, met verbetering van gronden, moet worden bevestigd.
5.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2013.
(getekend) H.J. Simon
(getekend) J.R. Baas
eh