ECLI:NL:CRVB:2013:1171
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering kinderbijslag wegens ontbreken verblijfstitel volgens AKW
Appellante, van Marokkaanse nationaliteit, vluchtte in 2010 met haar kinderen naar Nederland wegens huiselijk geweld en vroeg kinderbijslag aan. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees dit af omdat zij niet beschikte over een geldige verblijfstitel zoals vereist in artikel 6, tweede lid, van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en stelde dat het onderscheid naar verblijfsstatus gerechtvaardigd is.
De Raad verwees naar eerdere rechtspraak en het oordeel van de Hoge Raad dat het onderscheid naar verblijfsstatus en nationaliteit een legitiem doel dient en proportioneel is. Het beroep op artikel 8 EVRM Pro, dat het gezinsleven beschermt, en het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) faalde omdat kinderbijslag slechts een aanvullende ondersteuning is en niet de noodzakelijke bestaansmiddelen verschaft.
De Raad oordeelt dat het Nederlandse stelsel van sociale voorzieningen een zekere beoordelingsruimte kent en dat positieve verplichtingen uit het EVRM niet via de AKW kunnen worden afgedwongen. Het beroep op artikel 6a AKW, dat kinderbijslag op grond van verdragsrecht mogelijk maakt, is niet van toepassing. De Raad bevestigt het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van kinderbijslag wegens het ontbreken van een geldige verblijfstitel.