ECLI:NL:CRVB:2013:1245

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 augustus 2013
Publicatiedatum
1 augustus 2013
Zaaknummer
12-1563 BESLU-S
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R. Kooper
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding voor overschrijding redelijke termijn in bestuursrechtelijke procedure

Verzoeker stelde een schadevergoeding te vorderen wegens overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase van een bestuursrechtelijke procedure. Het geschil betrof de duur van de procedure bij de rechtbank en het hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.

De Raad stelde vast dat de rechtbank de overschrijding van de redelijke termijn ten onrechte niet had beoordeeld en dat de behandeling bij de rechtbank drie jaar en elf maanden had geduurd, wat een overschrijding van twee jaar en vijf maanden betekent. De fase van hoger beroep bij de Raad mocht niet worden meegerekend bij de berekening van de overschrijding.

De Raad kende op basis van jurisprudentie een vergoeding toe van €500 per half jaar overschrijding, wat resulteerde in €2.500. Daarnaast werd een extra bedrag van €500 toegekend vanwege de duur van de schadeprocedure van ongeveer vijftien maanden na de uitspraak. De totale vergoeding bedraagt daarmee €3.000.

Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend omdat geen kosten waren aangetoond die voor vergoeding in aanmerking komen.

Uitkomst: De Staat wordt veroordeeld tot betaling van €3.000 aan verzoeker wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
12/1563 BESLU-S
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
de Staat der Nederlanden (de Minister van Veiligheid en Justitie) (Staat)
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van
7 april 2011, 07/457, in het geding tussen verzoeker en de Staatssecretaris van Financiën (staatssecretaris).
Bij uitspraak van 22 maart 2012, 11/3045 AW, LJN BW0127, zoals gerectificeerd bij uitspraak van 18 juni 2012, LJN BW9254, heeft de Raad op dit hoger beroep beslist. De Raad heeft daarbij onder meer bepaald dat het onderzoek onder het nummer 12/1563 BESLU wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak op verzoek van verzoeker om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De Raad heeft de Staat aangemerkt als partij in die procedure.
De Staat heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Verzoeker heeft daarop gereageerd en zijn gronden nader toegelicht.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 mei 2013. Verzoeker en de Staat zijn daarbij niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1. In de uitspraak van 22 maart 2012, gerectificeerd bij uitspraak van 18 juni 2012, heeft de Raad onder meer overwogen dat de rechtbank ten onrechte geen beslissing heeft gegeven omtrent het bij haar ingediende verzoek om schadevergoeding, dat de behandeling in beroep bij de rechtbank drie jaar en elf maanden heeft geduurd en dat derhalve nog moet worden beslist over het verzoek tot schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase.
1.2. Volgens verzoeker was er in oktober 2012 al sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met 24 maanden. Verzoeker is van mening dat de termijn waarmee de redelijke termijn wordt overschreden pas eindigt op het moment dat de Raad daarover uitspraak heeft gedaan en niet op het moment waarop over het materiële geschil was beslist.
1.3. De Staat heeft - kort samengevat - erkend dat de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM, in de rechterlijke fase is overschreden en dat verzoeker in aanmerking komt voor een vergoeding van immateriële schade. De Staat gaat uit van een overschrijding van de rechterlijke termijn van vier jaar en tien maanden en neemt daarbij de totale duur van de procedure vanaf het indienen van het beroepschrift bij de rechtbank tot de uitspraak van de Raad in hoger beroep als uitgangspunt. Volgens de Staat is dus sprake van een overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase van zestien maanden. De Staat heeft hiervoor aan verzoeker een vergoeding aangeboden van € 1.500,-.
2.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
2.1.
De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van verzoeker gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van verzoeker, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) naar voren komt.
2.2.
De redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze is in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. Daarbij geldt dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De in 2.1 vermelde criteria kunnen onder omstandigheden aanleiding geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten.
2.3.
Nu het heropende onderzoek blijkens de uitspraak van 22 maart 2012, zoals gerectificeerd bij uitspraak van 18 juni 2012, alleen nog betrekking heeft op de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase, is de overschrijding van de termijn in de bezwaarfase geen onderwerp van deze procedure.
2.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase. Partijen zijn verdeeld over de omvang van de overschrijding en de hoogte van de hieruit voorvloeiende schadevergoeding.
2.5.
De Staat heeft bij de berekening van de overschrijding van de redelijke termijn ten onrechte de fase van hoger beroep bij de Raad meegerekend. Het gaat hier om een verzoek om schadevergoeding dat bij de rechtbank is ingediend en waarop de rechtbank ten onrechte niet heeft beslist. In hoger beroep is aan de orde welke beslissing de rechtbank op dit verzoek zou behoren te nemen. Zoals overwogen in de uitspraak van de Raad van 22 maart 2012, heeft de behandeling van het beroep bij de rechtbank drie jaar en elf maanden geduurd. Dit betekent een overschrijding van de toegestane behandeltermijn bij de rechtbank van twee jaar en vijf maanden, waarvoor geen rechtvaardiging is gevonden. Die overschrijding is hier bepalend. De Raad heeft daarna ruimschoots binnen twee jaar uitspraak gedaan op het hoger beroep van verzoeker, zodat aan de Raad geen overschrijding van de redelijke termijn kan worden toegeschreven. De kortere behandelingsduur van het hoger beroep bij de Raad kan aan de overschrijding van de toegestane behandelingsduur van het beroep bij de rechtbank ook niet afdoen.
2.6.
Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 (LJN BH1009) is, in beginsel, een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden. Er zijn geen termen om hiervan af te wijken. Dit leidt tot een veroordeling van de Staat tot vergoeding van schade aan verzoeker van € 2.500,-.
2.7.
Anders dan verzoeker heeft gesteld, dient de duur van een schadeprocedure als deze, waarin uitsluitend de schade in verband met de overschrijding van de redelijke termijn aan de orde is, niet in aanmerking te worden genomen bij de vaststelling van de schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn in de hoofdzaak. De Raad ziet wel aanleiding om aan verzoeker een aanvullend bedrag van € 500,- toe te kennen in verband met de duur van deze schadeprocedure van ongeveer vijftien maanden na de uitspraak van de Raad van
22 maart 2012. Voor een behandelingsduur van meer dan twaalf maanden kan geen rechtvaardiging worden gevonden.
3.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, nu van voor vergoeding in aanmerking komende kosten niet is gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep veroordeelt de Staat der Nederlanden (ministerie van Veiligheid en Justitie) tot betaling aan verzoeker van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 3.000,-.
Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2013.
(getekend) R. Kooper
(getekend) S.K. Dekker
ew