Appellant had bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om hem geen loongerelateerde WGA-uitkering toe te kennen met ingang van 10 februari 2009. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar in hoger beroep stelde de Centrale Raad van Beroep vast dat het besluit onvoldoende arbeidskundige onderbouwing bevatte en droeg het UWV op dit te herstellen.
Het UWV nam daarop een nieuw besluit waarin het recht op een loongerelateerde WGA-uitkering werd vastgesteld met een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Appellant bleef echter van mening dat hem een IVA-uitkering toekwam, omdat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) verouderd was en niet meer de actuele situatie weerspiegelde.
De Raad oordeelde dat de beoordeling van de duurzaamheid van de arbeidsbeperkingen moet worden gebaseerd op medische gegevens die betrekking hebben op de datum in geschil, niet op latere ontwikkelingen. De brief van de toenmalige behandelend zenuwarts en het rapport van de verzekeringsarts ondersteunden de inschatting van de belastbaarheid op die datum. Het beroep tegen het tweede besluit werd daarom ongegrond verklaard.
De Raad vernietigde de aangevallen uitspraak, verklaarde het beroep tegen het eerste besluit gegrond en het eerste besluit vernietigd. Tevens werd het UWV veroordeeld tot betaling van wettelijke rente over de uitkeringstermijnen en tot vergoeding van proceskosten aan appellant.