ECLI:NL:CRVB:2013:1369
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aanspraak maatschappelijke opvang Wmo bij onrechtmatig verblijf
Appellant, geboren in Sierra Leone, verblijft onrechtmatig in Nederland en vroeg opvang aan op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees de aanvraag af vanwege het ontbreken van een geldige verblijfstitel en het ontbreken van een noodsituatie die hulp noodzakelijk maakt.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat het niet verlenen van opvang in strijd is met de artikelen 3 en 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
De Raad overwoog dat appellant op grond van de Vreemdelingenwet 2000 geen aanspraak kan maken op maatschappelijke opvang. Verder oordeelde de Raad dat het onderscheid in rechten voor vreemdelingen verenigbaar is met non-discriminatiebepalingen in internationale verdragen. Het beroep op artikel 8 EVRM Pro faalde omdat appellant niet tot een kwetsbare categorie behoort die bijzondere bescherming verdient. Ook het beroep op artikel 3 EVRM Pro werd verworpen omdat appellant niet in een situatie van vernederende of onmenselijke behandeling verkeert.
De Raad wees het verzoek om aanhouding van de procedure af en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Hoger beroep afgewezen; appellant heeft geen aanspraak op maatschappelijke opvang vanwege zijn verblijfsstatus.