Verzoeker, een persoon met het syndroom van Down, kreeg op grond van de AWBZ een indicatie voor persoonlijke verzorging die bij een herziening werd verlaagd van klasse 3 naar klasse 1. De voorzieningenrechter van de rechtbank had het beroep tegen deze verlaging gegrond verklaard en de indicatie verhoogd naar klasse 4, omdat de aftrek van één uur per etmaal gebruikelijke zorg volgens hem onterecht was toegepast.
CIZ stelde in hoger beroep dat de Beleidsregels indicatiestelling AWBZ 2013 het uur per etmaal bandbreedte tot de gebruikelijke zorg rekenden en dat deze aftrekregel geen aanspraakbeperking inhoudt maar een nadere invulling van het begrip gebruikelijke zorg is. De Centrale Raad van Beroep toetste dit standpunt en concludeerde dat de Beleidsregels 2013 een juiste uitleg geven van het begrip gebruikelijke zorg in het Besluit zorgaanspraken AWBZ en in overeenstemming zijn met de wet.
De Raad oordeelde dat de aftrek van één uur per etmaal gebruikelijke zorg terecht is toegepast en dat er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de uitspraak van de voorzieningenrechter niet in stand zal blijven. Daarom wees de Raad het verzoek om voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.