Appellant, bijstandontvanger sinds 2008, wilde een detailhandel starten en vroeg bijstand en bedrijfskrediet aan op grond van het Bbz 2004. Het college vroeg advies aan het IMK, dat concludeerde dat het bedrijfsplan niet levensvatbaar was vanwege onvoldoende onderbouwing en voorbereiding. Na een eerdere afwijzing en bezwaar, kreeg appellant toestemming voor een voorbereidingsperiode onder begeleiding van het IMK.
Het IMK adviseerde echter in augustus 2011 om appellant niet toe te laten tot de voorbereidingsfase vanwege onvoldoende ondernemerskennis, een negatief ondernemersprofiel, schulden en verminderde belastbaarheid. Het college beëindigde daarop de voorbereiding en herstelde de arbeidsverplichtingen. Appellant stelde dat het IMK-advies onzorgvuldig was en dat hij niet adequaat kon reageren op het conceptrapport.
De Raad oordeelt dat het college zich terecht op het deskundige advies van het IMK heeft gebaseerd. Het advies was zorgvuldig tot stand gekomen, met bespreking van scores op ondernemerskenmerken en voldoende mogelijkheid tot bezwaar en heroverweging. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt wegens gebrek aan onderbouwing. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.