ECLI:NL:CRVB:2013:1461
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding met partner en kind
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder. Na een melding dat zij mogelijk samenwoonde met haar partner, met wie zij een kind heeft, heeft de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid een onderzoek ingesteld. Tijdens een gesprek verklaarde appellante samen te wonen met haar partner, wat zij ondertekende.
Het college trok de bijstand met ingang van 1 februari 2011 in en verklaarde het bezwaar ongegrond, stellende dat sprake was van een gezamenlijke huishouding. De rechtbank bevestigde dit oordeel. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij de verklaring niet begreep vanwege taalproblemen en dat een tolk ten onrechte was geweigerd.
De Raad oordeelde dat appellante niet had aangegeven een tolk nodig te hebben en dat haar verklaring gedetailleerd en vrijwillig was. Het feit dat zij en haar partner een kind hebben, maakt dat het hoofdverblijf in dezelfde woning bepalend is voor het bestaan van een gezamenlijke huishouding. Appellante had geen melding gemaakt van deze huishouding en schond daarmee haar inlichtingenverplichting.
De Raad bevestigde het besluit tot intrekking van de bijstand en verwierp het hoger beroep. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering wordt bevestigd omdat appellante en haar partner een gezamenlijke huishouding voerden.