ECLI:NL:CRVB:2013:1503

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 augustus 2013
Publicatiedatum
22 augustus 2013
Zaaknummer
12-2081 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 BarpWet van 12 juli 2012 tot invoering van de Politiewet 2012Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging eervol ontslag wegens ongeschiktheid tot arbeid wegens ziekte bij politieambtenaar

Appellant, werkzaam bij de politie sinds 1976, werd op 1 juli 2011 eervol ontslagen wegens ongeschiktheid tot arbeid op grond van artikel 94, eerste lid, aanhef en onder e, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp). Het ontslag volgde na een ononderbroken ziekteperiode van meer dan twee jaar, waarbij herstel binnen zes maanden niet te verwachten was.

De korpschef had zonder herplaatsingsonderzoek besloten tot ontslag, omdat appellant vanwege zijn gezondheidstoestand niet in staat was tot arbeidsverrichting. De WGA-uitkering en het UWV-rapport bevestigden de volledige arbeidsongeschiktheid. Appellant voerde aan dat nieuwe medicatie mogelijk herstel zou brengen, maar kon dit niet concreet onderbouwen.

De Raad oordeelde dat het ontslagrechtmatig was en dat de korpschef bevoegd was zonder herplaatsingsonderzoek tot ontslag over te gaan. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het eervol ontslag bevestigd.

Uitspraak

12/2081 AW
Datum uitspraak: 22 augustus 2013
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 7 maart 2012, 11/7501 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te[woonplaats] (appellant)
de Korpsbeheerder van de politieregio Haaglanden, thans de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juli 2013. Appellant is verschenen. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. Nijhof, advocaat,
mr. drs. L. van der Toorn en Y.A.M. van Haaster.

OVERWEGINGEN

1.
Ingevolge artikel 5 van Pro de Wet van 12 juli 2012 tot invoering van de Politiewet 2012 en aanpassing van overige wetten aan die wet (Invoerings- en aanpassingswet Politiewet 2012, Stb. 2012, 316) is in dit geschil de korpschef in de plaats getreden van de korpsbeheerder van de politieregio Haaglanden, ten name van wie het geding aanvankelijk is gevoerd. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de korpschef, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de korpsbeheerder verstaan.
1.1.
Appellant was sinds 16 oktober 1976 werkzaam bij de politie, laatstelijk in de functie van [naam functie]bij het bureau [naam bureau].
1.2.
Bij besluit van 4 mei 2011 is aan appellant met ingang van 1 juli 2011 eervol ontslag verleend op grond van artikel 94, eerste lid, aanhef en onder e, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp).
1.3.
Bij besluit van 18 augustus 2011 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellant gericht tegen het besluit van 4 mei 2011 ongegrond verklaard.
2.
In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant, gericht tegen het bestreden besluit, ongegrond verklaard.
3.
De Raad overweegt als volgt.
3.1.
Ingevolge artikel 94, eerste lid, aanhef en onder e, van het Barp kan de ambtenaar worden ontslagen op grond van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte.
Ingevolge het derde lid van dit artikel kan een dergelijk ontslag slechts plaatsvinden indien:
a. er sprake is van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte gedurende een ononderbroken periode van twee jaar;
b. herstel van zijn ziekte niet binnen een periode van zes maanden na de in onderdeel a genoemde termijn van twee jaar te verwachten is, en;
c. na een zorgvuldig onderzoek is gebleken dat binnen het gezagsbereik van het bevoegd gezag of bij een andere werkgever geen passende arbeid voorhanden is.
3.2.
Vaststaat dat appellant zich op 26 mei 2008 heeft ziek gemeld wegens psychische klachten en dat appellant vanwege deze klachten na 26 mei 2008 gedurende een ononderbroken periode van meer dan twee jaar ongeschikt is gebleven om zijn functie uit te oefenen. Vaststaat voorts dat aan appellant met ingang van 2 juni 2010 een uitkering
werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) is toegekend naar volledige arbeidsongeschiktheid, voorshands gehandhaafd tot 2 augustus 2013.
3.3.
Vervolgens is de vraag aan de orde of bij appellant herstel van zijn ziekte viel te verwachten binnen een periode van zes maanden na de onder 3.1 genoemde periode van twee jaar. Bij de beoordeling van deze vraag wordt ingevolge artikel 94, zevende lid, van het Barp de besluitvorming op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) meegenomen. In het besluit van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (Uwv) tot toekenning van de WGA-uitkering aan appellant van 17 mei 2010 is vermeld dat appellant “op dit moment niet kan werken” en dat het Uwv daarom geen re-integratieactiviteiten van hem verwacht. Verder is vermeld in het rapport van de arbeidsdeskundige van het Uwv met betrekking tot de herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de WIA van 9 februari 2011 dat, met instemming van de verzekeringsarts, de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant sinds de ingangsdatum van het recht op een
WIA-uitkering per 2 juni 2010 nog steeds 80-100% bedraagt. Mede gelet hierop acht de Raad voldoende grond aanwezig voor het oordeel dat op de datum van het ontslag geen zicht was op herstel van de ziekte binnen een periode van zes maanden. Appellant heeft nog aangevoerd dat hij in januari 2011 nieuwe medicijnen heeft gekregen en dat de korpschef uit een oogpunt van zorgvuldigheid had moeten afwachten of deze medicijnen herstel zouden bieden. De Raad kan appellant hierin niet volgen. Appellant heeft zijn stelling immers niet concreet onderbouwd. Overigens heeft appellant ter zitting verklaard tot op heden steeds ziek te zijn en niet geschikt om arbeid te verrichten.
3.4.
Evenals de rechtbank kan de Raad de korpschef volgen in het standpunt dat appellant voorafgaand aan de ontslagdatum vanwege zijn gezondheidstoestand in het geheel niet tot arbeidsverrichting in staat was, zodat herplaatsingsonderzoek bij voorbaat zinloos zou zijn. De korpschef was daarom zonder het voorgeschreven herplaatsingsonderzoek zoals bedoeld in artikel 94, derde lid, aanhef en onder c, van het Barp bevoegd om tot ontslagverlening op grond van artikel 94, eerste lid, aanhef en onder e, van het Barp over te gaan.
3.5.
Hetgeen appellant heeft aangevoerd heeft de Raad niet tot het oordeel kunnen brengen dat de korpschef niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn ontslagbevoegdheid.
3.6.
Uit vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
4.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.Th. Wolleswinkel als voorzitter en B.J. van der Net en
C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2013.
(getekend) J.Th. Wolleswinkel
(getekend) B. Rikhof

HD