ECLI:NL:CRVB:2013:1514
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar en terugvordering kinderbijslag met boete
Appellant vroeg kinderbijslag aan voor zijn kinderen die bij zijn echtgenote in Polen verbleven. Na zijn scheiding in 2009 stelde de Sociale Verzekeringsbank (Svb) vast dat appellant geen recht had op kinderbijslag vanaf het tweede kwartaal van 2009 tot en met het eerste kwartaal van 2011. De Svb herzag het besluit en vorderde onverschuldigde kinderbijslag terug, met een boete wegens schending van de informatieplicht.
Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar het bezwaar tegen het besluit van 15 september 2011 werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege te late indiening. De Raad oordeelde dat er geen sprake was van een verschoonbare termijnoverschrijding, omdat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij door een verwarrende situatie werd misleid.
De inhoudelijke beoordeling van de terugvordering en boete bevestigde dat appellant onverschuldigd kinderbijslag had ontvangen en niet tijdig de echtscheiding had gemeld, waardoor de boete terecht was opgelegd. Er waren geen dringende redenen om af te zien van terugvordering of boete. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering met boete bevestigd.