ECLI:NL:CRVB:2013:1603
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Beëindiging en terugvordering wachtgelduitkering wegens nieuwe inkomsten
Appellant was lid van Provinciale Staten van Fryslân en ontving na beëindiging van dit lidmaatschap een wachtgelduitkering. Na het beëindigen van zijn lidmaatschap trad hij toe tot de Tweede Kamer en vervolgens werd hij voorzitter van een vakbond. Het college beëindigde de wachtgelduitkering per 1 juni 2010 vanwege nieuwe inkomsten die volgens de Verordening op het wachtgeld in mindering moesten worden gebracht en vorderde een bedrag terug over de periode 1 juni tot 1 december 2010.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en het hoger beroep bevestigt deze uitspraak. Appellant erkende dat er in juni 2010 sprake was van hogere inkomsten maar voerde aan dat daarna alleen nieuwe, niet hogere inkomsten waren, zodat verrekening niet meer aan de orde was. De Raad oordeelde dat de Verordening verrekening voorschrijft bij nieuwe of hogere inkomsten, zonder dat relevant is of deze hoger zijn dan de oude inkomsten.
Verder wees de Raad erop dat de nieuwe Verordening uit 2011 niet van toepassing is op de periode in 2010. Het college heeft op goede gronden de nieuwe inkomsten verrekend en het recht op uitkering per 1 juni 2010 beëindigd. Terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen is toegestaan op grond van het algemeen rechtsbeginsel. Appellant had het college eerder moeten informeren om terugvordering te voorkomen. Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging en terugvordering van de wachtgelduitkering bevestigd.