ECLI:NL:CRVB:2013:1683
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.J. de Mooij
- W.H. Bel
- G. van Zeben-de Vries
- Rechtspraak.nl
Beëindiging noodopvang Roma-groep in Almere en beoordeling vrijheidsbeperkende maatregel
Appellanten, behorend tot een Roma-groep die sinds 2007 in Almere woont en dakloos was, verbleven in gemeentelijke noodopvang verzorgd door het Leger des Heils. Het college van burgemeester en wethouders van Almere besloot de noodopvang te beëindigen per 1 april 2010 wegens sluiting van de opvang, met verwijzing naar opvang bij de Dienst Terugkeer en Vertrek.
Appellanten maakten bezwaar tegen deze beslissing, maar het college verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk omdat de brief niet als een besluit werd aangemerkt. Later werd een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd op grond van artikel 56 Vreemdelingenwet Pro 2000, waardoor de noodzaak tot maatschappelijke opvang zou vervallen.
In hoger beroep vernietigde de Raad het eerdere niet-ontvankelijkheidsbesluit en verklaarde het bezwaar gegrond. Het college nam een nieuw besluit waarin de brief wel als besluit werd aangemerkt, maar het bezwaar werd alsnog ongegrond verklaard omdat opvang in de vrijheidsbeperkende locatie als voorliggende voorziening de noodopvang uitsloot.
De Raad oordeelde dat de beëindiging van de noodopvang als een besluit in de zin van de Awb moet worden gezien en dat de opvang tot de datum van de vrijheidsbeperkende maatregel adequaat was. De onzekerheid over de dreigende ontruiming maakte de opvang niet inadequaat. Het beroep tegen het nieuwe besluit werd daarom ongegrond verklaard.
De Raad veroordeelde het college tot vergoeding van de proceskosten van appellanten en het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het beroep tegen het gewijzigde besluit tot beëindiging van de noodopvang wordt ongegrond verklaard.