Uitspraak
Op 11 september 2012 heeft de minister het door hem ingestelde hoger beroep ingetrokken.
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene was sinds 2008 werkzaam als Hoofd Bureau Materieellogistiek (HBM) in district West van de Koninklijke Marechaussee met de rang adjudant onderofficier. Hij verzocht om toekenning van de rang eerste luitenant, gelijk aan de functie HBM in district Schiphol. De minister wees dit verzoek in 2010 af, waarna betrokkene bezwaar maakte en beroep instelde. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit wegens strijd met artikel 7:12 Awb Pro, omdat de minister de verschillen tussen de functies niet met stukken onderbouwde en inzicht in functiewaarderingsscores ontbrak.
De minister nam in juni 2011 een nieuw besluit dat het bezwaar ongegrond verklaarde. Betrokkene stelde beroep in tegen dit besluit. Na intrekking van het hoger beroep door de minister, beperkte het geding zich tot dit beroep. De Raad oordeelde in een tussenuitspraak dat de motivering nog steeds onvoldoende was en gaf de minister zes weken om dit te herstellen. De minister leverde nadere motivering in 2013, waarop betrokkene reageerde.
De Raad concludeert dat de functiebeschrijvingen en waarderingen van de functies HBM Schiphol en HBM West verschillen en dat de minister dit voldoende heeft gemotiveerd. Het besluit van juni 2011 berust nu op een voldoende grondslag, maar wordt toch vernietigd vanwege eerdere motiveringsgebreken. De rechtsgevolgen blijven echter in stand. De Raad wijst een proceskostenvergoeding van €1.416 toe aan betrokkene en oordeelt dat de redelijke termijn niet is overschreden.
Uitkomst: Het besluit van 16 juni 2011 wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen blijven in stand en de minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten.