Uitspraak
9 juni 2011, 10/4803 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant verzocht om een persoonsgebonden budget (pgb) voor noodzakelijke aanpassingen in zijn huurwoning. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam besloot dit pgb niet toe te kennen, omdat appellant niet meewerkte aan herhaald bouwtechnisch onderzoek van zijn woning. Hierdoor kon het college niet vaststellen wat de hoogte van het toe te kennen pgb zou moeten zijn en of de kosten van de aanpassing niet boven de verhuisprimaatgrens van € 8.100,- zouden uitkomen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond, omdat het college op grond van het ontbreken van medewerking niet kon beoordelen of het pgb toewijsbaar was. Appellant ging hiertegen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad overwoog dat de gronden van appellant in hoger beroep een herhaling waren van eerdere argumenten en dat de rechtbank terecht had geoordeeld. De Raad onderschreef de overwegingen van de rechtbank en merkte op dat het college nog steeds bereid was bouwkundig onderzoek te laten uitvoeren. Omdat appellant niet meewerkte, kon het hoger beroep niet slagen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van het pgb wordt bevestigd.