Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2013:1783

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 september 2013
Publicatiedatum
18 september 2013
Zaaknummer
11-7010 ZVW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Verordening (EG) 1408/71ZorgverzekeringswetAlgemene Wet Bijzondere Ziektekosten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging dat schade door dubbele verzekering niet bestuursrechtelijk verhaald kan worden

Appellant, woonachtig in Frankrijk en sinds 2003 AOW-uitkeringsgerechtigde, was vanaf 2006 verplicht een buitenlandbijdrage te betalen op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw). Hij stelde dat hij onterecht deze bijdrage moest betalen over de periode waarin hij nog een particuliere Nederlandse verzekering had, omdat het College van Zorgverzekeringen (Cvz) hem niet tijdig had geïnformeerd over de wetswijzigingen.

De rechtbank oordeelde dat de vordering van appellant niet betrekking had op een onrechtmatig bestuursbesluit, maar op een vermeend onrechtmatig feitelijk handelen van Cvz, namelijk de late verzending van informatie. Dit valt niet onder de bestuursrechter maar onder de burgerlijk rechter. De rechtbank verwierp het beroep tegen de hoogte van de buitenlandbijdrage omdat deze wettelijk dwingendrechtelijk is vastgesteld.

In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef de overwegingen van de rechtbank en bevestigde dat de schade niet bestuursrechtelijk kan worden verhaald. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
11/7010 ZVW
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
4 november 2011, 11/1689 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] Frankrijk (appellant)
het College van Zorgverzekeringen (Cvz)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Cvz heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2013. Appellant is niet verschenen. Cvz heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Mulder.

OVERWEGINGEN

1.
De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant woont sinds 2001 in Frankrijk. Hij ontvangt vanaf april 2003 een uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet. Op grond hiervan heeft appellant sinds de inwerkingtreding van de Zorgverzekeringswet (Zvw) op 1 januari 2006 op grond van artikel 28 van Pro de Verordening (EG) 1408/71 (Vo 1408/71) recht op zorg in zijn woonland Frankrijk op kosten van de Nederlandse staat. Voor dit recht is appellant een bijdrage verschuldigd op grond van de Zvw, de zogenoemde buitenlandbijdrage, die wordt berekend aan de hand van de berekeningssystematiek die wordt gehanteerd in de Zvw en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ).
1.2.
Bij brief van december 2005 is appellant door Cvz in kennis gesteld van de gevolgen van de inwerkingtreding van de Zvw en is aan hem een E-121 formulier toegezonden, waarmee hij zich kon inschrijven bij de Franse mutualiteit. Bij brief van 2 februari 2006 heeft appellant Cvz verzocht de wettelijke wijziging pas in te laten gaan op het moment dat het Franse ziekenfonds zou bevestigen dat appellant en zijn echtgenote daadwerkelijk verzekerd waren voor ziektekosten in Frankrijk. Appellant heeft zijn in Nederland afgesloten particuliere ziektekostenverzekering beëindigd per 1 juni 2006, nadat hij op 22 mei 2006 zijn zorgpas (Carte Vital) had verkregen van het Franse ziekenfonds.
1.3.
Bij besluit van 7 augustus 2010 is de buitenlandbijdrage van appellant over 2006 definitief vastgesteld op € 3.693,65. Omdat een groot deel hiervan al was ingehouden op de pensioenuitkering van appellant, diende hij nog € 199,53 na te betalen. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 16 maart 2011 ongegrond verklaard.
2.1.
In beroep heeft appellant gesteld dat hij schade heeft geleden doordat hij de eerste vijf maanden van 2006 dubbel verzekerd was. Volgens appellant is aan hem ten onrechte over de periode van 1 januari 2006 tot 1 juni 2006 de buitenlandbijdrage opgelegd, omdat hij toen nog particulier verzekerd was bij zijn Nederlandse verzekeraar. Cvz heeft onrechtmatig gehandeld door appellant niet tijdig in kennis te stellen van de wettelijke wijzigingen.
2.2.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat de vordering van appellant, betreffende de particuliere verzekering, niet samenhangt met een inhoudelijk onrechtmatig besluit, maar met beweerdelijk onrechtmatig feitelijk handelen van Cvz, te weten de late verzending van informatie over de verzekeringspositie van personen zoals appellant. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 5 mei 2010
(LJN BM7467), heeft de rechtbank geoordeeld dat ter zake van een dergelijk onrechtmatig feitelijk handelen niet de bestuursrechter bevoegd is, maar de burgerlijk rechter. Met betrekking tot de kosten van de buitenlandbijdrage oordeelde de rechtbank dat de hoogte van die bijdrage dwingendrechtelijk is vastgesteld bij de wet, zodat het beroep daartegen niet kon slagen.
3.
Ook in hoger beroep stelt appellant zich op het standpunt dat hij terecht de particuliere verzekering door heeft laten lopen tot en met mei 2006 omdat Cvz hem niet op tijd geïnformeerd heeft over de gevolgen van de wetswijziging. Appellant stelt dat daarom de schade die hij heeft geleden - dubbele verzekering gedurende vijf maanden - door Cvz vergoed zou moeten worden.
4.
De Raad overweegt als volgt.
4.1.
Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft de gronden van beroep van appellant afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig. Dit betekent dat de schade die appellant zegt geleden te hebben niet in verband staat met het bestreden besluit en daarom niet in een bestuursrechtelijke procedure te verhalen is (op Cvz).
4.2.
Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 september 2013.
(getekend) H.J. de Mooij
(getekend) I.J. Penning

EH