Appellant, woonachtig in Frankrijk en ontvanger van een AOW-uitkering, werd op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) een voorlopige buitenlandbijdrage over 2008 opgelegd. Deze bijdrage werd vastgesteld op €4.134,82, waartegen appellant bezwaar maakte en vervolgens in beroep ging. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad onderzocht of appellant nog voldoende procesbelang had bij de voorlopige jaarafrekening, gelet op het feit dat de definitieve jaarafrekening inmiddels was vastgesteld. De Raad oordeelde dat het procesbelang behouden bleef, omdat een rechterlijk oordeel over de voorlopige jaarafrekening ook gevolgen kan hebben voor de definitieve afrekening en eventuele procedures.
Inhoudelijk verwierp de Raad het standpunt van appellant dat de buitenlandbijdrage een verkapte belasting is en dat de woonlandfactor discriminerend zou zijn. De woonlandfactor weerspiegelt de verhouding tussen de zorguitgaven in het woonland en Nederland en is niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel of het verbod van willekeur. Ook is er geen sprake van een AWBZ-premiedeel in de buitenlandbijdrage, maar slechts van een aan de AWBZ ontleende berekeningssystematiek.
Het hoger beroep wordt daarom afgewezen en de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.