ECLI:NL:CRVB:2013:1875
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- K. Wentholt
- B.W.N. de Waard
- Rechtspraak.nl
Weigering WAO-uitkering wegens ontbreken dienstbetrekking bij arbeidsongeschiktheid
Appellante had een AAW-uitkering toegekend gekregen met ingang van 29 juni 1980, waarbij de eerste dag van arbeidsongeschiktheid was vastgesteld op 5 september 1976. Zij stelde echter dat zij vanaf begin 1976 ziek was en aanspraak kon maken op een WAO-uitkering vanaf die datum, wat ook relevant was voor premievrije pensioenopbouw.
Het UWV besloot in 2009 niet terug te komen op het eerdere besluit, omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangevoerd. Na nader onderzoek en een aanvullend besluit in 2012 werd vastgesteld dat appellante op de eerste dag van arbeidsongeschiktheid niet in dienstbetrekking stond, waardoor zij niet verzekerd was voor de WAO.
Appellante slaagde er niet in voldoende bewijs te leveren dat zij in januari 1976 nog in dienst was en ziekengeld ontving. Diverse verklaringen en dossierstukken wezen juist op een dienstverband tot en met 31 december 1975. De Raad oordeelde dat onduidelijkheden door het tijdsverloop niet in haar voordeel konden worden uitgelegd.
Het hoger beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard voor het eerste besluit en ongegrond voor het tweede besluit. Het betaalde griffierecht wordt door het UWV vergoed.
Uitkomst: Hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard en beroep ongegrond wegens onvoldoende bewijs dienstbetrekking in 1976.