ECLI:NL:CRVB:2013:2033
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV over proceskostenvergoeding in WIA-zaak
Appellant stelde beroep in tegen het besluit van het UWV om het recht op WIA-uitkering niet per 8 juni 2010 maar per 10 januari 2011 te beëindigen. Het UWV trok het oorspronkelijke besluit in en verving dit door een inhoudelijk gelijkluidend besluit met een afwijzing van een ingebrekestelling. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het UWV-besluit.
In hoger beroep richtte appellant zich uitsluitend op het ontbreken van een proceskostenveroordeling in de aangevallen uitspraak. Het hoger beroep werd grotendeels ingetrokken behalve dit punt. De Raad oordeelde dat het beroep ten onrechte ongegrond was verklaard vanwege de erkenning van het UWV dat een dwangsom verschuldigd was.
De Raad vernietigde het besluit voor zover het verzoek om vergoeding op grond van de Wet dwangsom was afgewezen, verklaarde het beroep tegen het oorspronkelijke besluit niet-ontvankelijk en veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. De wegingsfactor voor de proceskostenvergoeding werd gehandhaafd op 1, passend bij zaken van gemiddeld gewicht.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 30 maart 2011 wordt gegrond verklaard en het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.