ECLI:NL:CRVB:2013:2061
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag bijstand wegens onvoldoende aannemelijkheid bijstandbehoefte
Appellant vroeg bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het dagelijks bestuur stelde dat appellant met zijn activiteiten en mogelijke financiële ondersteuning van zijn vriendin zelf in zijn levensonderhoud kan voorzien. Appellant kon niet aannemelijk maken dat hij daadwerkelijk bijstand behoefde.
Het dagelijks bestuur vroeg herhaaldelijk om aanvullende gegevens, waaronder bankafschriften en bewijsstukken over de financiële relatie met het bedrijf van zijn vriendin, maar appellant voldeed hier niet tijdig aan. Hierdoor stelde het bestuur de aanvraag buiten behandeling op grond van artikel 4:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De rechtbank verklaarde de beroepen tegen de besluiten ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende duidelijkheid gaf over zijn inkomsten en financiële situatie en dat het dagelijks bestuur terecht gebruik maakte van zijn bevoegdheid om de aanvraag buiten behandeling te stellen. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de aanvraag bijstand wegens onvoldoende aannemelijkheid van bijstandbehoefte en het niet voldoen aan de medewerkingsplicht.