ECLI:NL:CRVB:2013:2193
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Afwijzing langdurigheidstoeslag wegens inkomen boven bijstandsnorm
Appellant, die een Wajong-uitkering ontvangt, vroeg een langdurigheidstoeslag aan op grond van de WWB. Het college wees deze aanvraag af omdat appellant in de referteperiode van 60 maanden geen ononderbroken inkomen op minimumniveau had, zoals vereist volgens artikel 36 van Pro de WWB.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat zijn incidentele inkomsten niet mee zouden moeten tellen en dat hij vanwege de omgangsregeling met zijn kinderen extra kosten heeft, waardoor hij ongelijk wordt behandeld. De Raad oordeelde dat het netto inkomen in de referteperiode bepalend is en dat appellant met zijn inkomen boven de bijstandsnorm valt.
De Raad benadrukte dat bijzondere kosten geen rol spelen bij de beoordeling van het recht op langdurigheidstoeslag. Omdat appellant niet in dezelfde omstandigheden verkeert als personen met een inkomen op minimumniveau, is er geen sprake van ongelijke behandeling. De afwijzing van de toeslag wordt bevestigd.
Uitkomst: De aanvraag van appellant voor langdurigheidstoeslag wordt afgewezen omdat zijn inkomen boven de bijstandsnorm ligt.