Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2013:2220

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 oktober 2013
Publicatiedatum
29 oktober 2013
Zaaknummer
12-3685 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en bijstand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verrekening garantietoeslag met teveel betaalde bijstand

Appellante ontving bijstand volgens de norm voor een alleenstaande ouder. Na het meerderjarig worden van haar jongste kind werd de bijstand herzien naar de norm voor een alleenstaande, waardoor zij over een bepaalde periode teveel bijstand ontving. Het bestuur besloot het teveel betaalde bedrag niet terug te vorderen, omdat appellante niet redelijkerwijs kon weten dat zij te veel ontving.

Vervolgens verrekende het bestuur de garantietoeslag, waarop appellante recht had, met het teveel betaalde bedrag. Appellante maakte bezwaar tegen deze verrekening, stellende dat als het bestuur afziet van terugvordering, het ook niet bevoegd zou zijn tot verrekening.

De Raad oordeelde dat het bestuur wel bevoegd was tot verrekening, omdat de garantietoeslag en de normwijziging binnen hetzelfde kader vielen en de verrekening geen onevenredige uitkomst opleverde. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van wettelijke rente werd afgewezen.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het college de garantietoeslag terecht heeft verrekend met de teveel betaalde bijstand en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

12/3685 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 15 juni 2012, 12/167 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te[woonplaats] (appellante)
het Drechtstedenbestuur (bestuur)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. B.A. Fijma, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 25 juni 2013, waar partijen niet zijn verschenen.

OVERWEGINGEN

1.
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante ontving bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.
1.2.
Bij besluit van 13 oktober 2011 heeft het bestuur de bijstand van appellante met ingang van 3 augustus 2010 herzien naar de norm voor een alleenstaande omdat haar (jongste) kind op die datum 18 jaar was geworden. Als gevolg daarvan heeft appellante over de periode van 3 augustus 2010 tot 1 mei 2011 teveel bijstand ontvangen. Het college heeft het teveel betaalde niet teruggevorderd, omdat appellante redelijkerwijs niet kon weten dat zij te veel bijstand ontving. Bij besluit van 24 oktober 2011 heeft het bestuur de teveel betaalde uitkering van € 3040,- verrekend met een nabetaling aan appellante van bijzondere bijstand in de vorm van een garantietoeslag ten bedrage van € 738,56 over die periode, zodat een bedrag van
€ 2.301,47 aan teveel betaalde bijstand resteert. Het bestuur heeft besloten dit resterende bedrag niet terug te vorderen, omdat appellante niet redelijkerwijs had kunnen weten dat zij teveel bijstand ontving.
1.3.
Bij besluit van 25 januari 2012 (bestreden besluit) heeft het bestuur het bezwaar tegen het besluit van 24 oktober 2011 ongegrond verklaard.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.
Appellante heeft zich op de hierna te bespreken grond tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In hoger beroep ligt enkel ter beoordeling voor of het college de nog te betalen garantietoeslag terecht heeft verrekend met de teveel betaalde bijstand over de periode van
3 augustus 2010 tot en met 1 mei 2011.
4.2.
Appellante heeft (ook) in hoger beroep aangevoerd dat indien door het bestuur wordt afgezien van terugvordering omdat appellante niet redelijkerwijs had kunnen weten dat zij teveel bijstand ontving, het bestuur ook niet meer tot verrekening bevoegd is.
4.3.
Met het besluit van 24 oktober 2011 is het bestuur deels teruggekomen van het besluit van 13 oktober 2011, in die zin dat het bestuur alsnog een garantietoeslag waarop appellante over de in geding zijnde periode recht had, heeft verrekend met de teveel betaalde bijstand in verband met de herziening van de norm voor een alleenstaande ouder naar de norm voor een alleenstaande. Anders dan appellante meent, was het bestuur in dit geval bevoegd tot deze verrekening en daarmee inzoverre terug te komen van zijn eerdere besluit van 13 oktober 2011. Voor dit oordeel is het volgende van belang. In de eerste plaats is de tijd die is gelegen tussen 13 oktober 2011 en 24 oktober 2011 kort. In de tweede plaats valt de besluitvorming over de garantietoeslag binnen hetzelfde kader als de besluitvorming over de normwijziging. Immers de normwijziging ziet op het verlagen van de norm in verband met het meerderjarig worden van het jongste kind van appellante, de garantietoeslag is bedoeld om de daaruit voortvloeiende inkomensachteruitgang van appellante op te vangen. Als appellante de teveel betaalde bijstand niet behoeft terug te betalen en de garantietoeslag ontvangt, geniet zij een niet beoogd voordeel. Het verrekenen van de garantietoeslag met de teveel betaalde bijstand levert in dit geval dan ook geen onevenredige uitkomst op voor appellante, temeer omdat appellante in elk geval nog een voordeel behoudt ten opzichte van waar zij wettelijk aanspraak op maakt.
4.4.
Uit 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Het verzoek van appellante om vergoeding van wettelijke rente komt derhalve niet voor toewijzing in aanmerking.
4.6.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:
-bevestigt de aangevallen uitspraak;
-wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2013.
(getekend) M. Hillen
(getekend) B. Rikhof

HD