ECLI:NL:CRVB:2013:2339

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 november 2013
Publicatiedatum
7 november 2013
Zaaknummer
12-5229 WUBO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R. Kooper
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wubo
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering Wubo-uitkering wegens ontbreken blijvende invaliditeit door oorlogsgeweld

Appellante, geboren in 1942 in Nederlands-Indië, vroeg een Wubo-uitkering aan wegens gedwongen verblijf en beschietingen tijdens de Bersiap-periode. Verweerder erkende het oorlogsgeweld, maar wees de uitkering af omdat geen blijvende invaliditeit door dat oorlogsgeweld werd vastgesteld.

De Raad toetste of verweerder terecht oordeelde dat de psychische klachten van appellante niet verband houden met het oorlogsgeweld. Adviezen van geneeskundige adviseurs wezen uit dat de klachten eerder voortkomen uit mishandeling door haar vader en dat er geen psychopathologie aanwezig is die leidt tot beperkingen in de zin van de Wubo.

De Raad vond het besluit deugdelijk gemotiveerd en er waren geen medische gegevens die het tegendeel bewezen. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de Wubo-uitkering wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van blijvende invaliditeit door oorlogsgeweld.

Uitspraak

12/5229 WUBO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (Canada) (appellante)
de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft [B.] beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 3 augustus 2012, kenmerk BZ01476742 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 september 2013. Namens appellante is
[B.] verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door
A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.
Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijn de feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante is in 1942 geboren in het toenmalige Nederlands-Indië. In augustus 2011 heeft zij een aanvraag ingediend om een toeslag of een periodieke uitkering en voorzieningen op grond van de Wubo.
1.2.
Bij besluit van 12 maart 2012 heeft verweerder erkend dat appellante is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo, te weten een gedwongen verblijf tijdens de
Bersiap-periode in een huis aan de Welirangstraat te Soerabaja en nadien het meemaken van beschietingen tijdens het transport naar een technische school te Soerabaja. Verweerder heeft de aanvraag echter afgewezen op de grond dat bij appellante geen sprake is van blijvende invaliditeit door het oorlogsgeweld. In dat verband is overwogen dat de psychische klachten van appellante niet in verband staan met het door haar meegemaakte oorlogsgeweld, maar door andere oorzaken zijn ontstaan. Het tegen dit besluit ingediende bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.
2.
Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.
2.1.
Gelet op het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de Wubo moet worden beoordeeld of verweerder op goede gronden tot het oordeel is gekomen dat bij appellante geen sprake is van met het gedwongen verblijf en het meemaken van beschietingen samenhangend tot blijvende invaliditeit leidend letsel.
2.2.
Verweerder heeft zijn standpunt in eerste instantie gebaseerd op het advies van zijn geneeskundig adviseur, de arts A.J. Maas. Dit advies berust op een rapport van een door de psychiater H.F. Shane M.D. bij appellante verricht onderzoek. Maas concludeert uit het rapport van Shane dat er bij appellante geen psychopathologie aanwezig is die te relateren valt aan het aanvaarde oorlogsgeweld. De wel bij appellante aanwezige psychische klachten schrijft hij toe aan mishandeling(en) door haar vader. Zij heeft geen herinneringen aan de geverifieerde calamiteiten.
Het namens appellante ingediende bezwaar, waarbij de gemachtigde (broer van appellante) de mishandeling van de vader ontkent, is om advies voorgelegd aan een andere geneeskundig adviseur, de arts R.J. Roelofs. Deze arts geeft aan dat appellante in het gesprek met de psychiater heel duidelijk een zeer strenge opvoeding door een gewelddadige vader beschrijft. Hieraan wordt meer waarde gehecht dan aan de wijze waarop haar broer het heeft ervaren. Roelofs onderschrijft dan ook de bevindingen van Maas. Hij merkt daarbij nog op dat ook door het ontbreken van beperkingen bij appellante niet gesproken kan worden van blijvende invaliditeit in de zin van de Wubo.
2.4.
De Raad acht het bestreden besluit op grond van deze advisering deugdelijk voorbereid en voldoende gemotiveerd. Er zijn geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt dat verweerder in het voetspoor van zijn geneeskundig adviseurs heeft ingenomen. Tegenover hun adviezen staan geen objectieve medische gegevens die in andere richting zouden kunnen wijzen. In het midden latend of sprake is geweest van een gewelddadige vader, uit de voorhanden medische gegevens blijkt dat bij appellante geen psychopathologie aanwezig is die tot beperkingen leidt en in verband kan worden gebracht met het aanvaarde oorlogsgeweld.
2.5.
Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.
3.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 november 2013.
(getekend) R. Kooper
(getekend) S.K. Dekker

HD